Alles over sport logo

Gemeentelijk armoedebeleid: sport en bewegen voor de jeugd

Kinderen kunnen door armoede soms niet meedoen aan sport en bewegen. Verschillende gemeenten proberen daar iets aan te doen, door hun lokale aanpak met betrekking tot armoederegelingen te optimaliseren. In deze artikelenreeks delen we praktijkvoorbeelden, achtergrondinformatie en inspiratie voor beleidsmedewerkers. In dit artikel: de feiten en cijfers.

Geld voor sport en bewegen

Gemeenten ontvangen sinds 2017 structureel € 85 miljoen van het Rijk voor het versterken van hun kinderarmoedebeleid. Daarmee kunnen zij met hun ondersteunende activiteiten meer kinderen bereiken. Dit en nog veel meer is te lezen in het rapport Tussenevaluatie Bestuurlijke Afspraken Kinderarmoede van Bureau Bartels uit 2020.

In 2019 groeide ongeveer één op de dertien kinderen in Nederland op in een huishouden met een laag inkomen. Deze kinderen en jongeren leven in gezinnen met onvoldoende geld voor kleding, schoolspullen, vervoer en sociale activiteiten zoals sport en cultuur. Zij sporten wekelijks minder en zijn minder vaak lid van sportverenigingen dan kinderen uit meer welvarende gezinnen (Sportdeelname van kinderen in armoede, Mulier Instituut).

Mede daarom geven gemeenten een deel van het geld voor hun kinderarmoedebeleid, uit aan het sport- en beweegdomein. Het is essentieel om deze kinderen en jongeren te bereiken, en ze vervolgens te laten meedoen én: zorgen dat ze blijven meedoen. Sport en bewegen helpt een kind zich motorisch, mentaal en sociaal-emotioneel optimaal te ontwikkelen.

Feiten en cijfers: hoe doen gemeenten het?

Bureau Bartels onderzocht de afgelopen jaren (2018 en 2020) het gemeentelijk armoedebeleid. Meedoen door deelname aan sport en beweegactiviteiten is daarin een belangrijk speerpunt. Het Mulier Instituut deed onderzoek naar de sportdeelname van kinderen in armoede. En Save the Children en Defence for Children deden een verkennend onderzoek naar gelijke toegang tot voorzieningen voor kinderen in Nederland die opgroeien in armoede.

Enkele opvallende cijfers:

  • De sportparticipatie van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen blijft achter bij het landelijk gemiddelde.
  • Zo goed als alle gemeenten hebben beleidsmatig aandacht voor kinderen die arm opgroeien. Negentig procent biedt voorzieningen in natura om sport- en cultuurdeelname onder deze kinderen te bevorderen. Vooral de laatste twee jaar zie je dat gemeenten extra middelen inzetten op bestaande kindvoorzieningen (zoals contributie voor sport- en cultuurverenigingen en het aanschaffen van sportkleding).
  • Gemeenten werken vaker samen met scholen en met Stichting Leergeld, waardoor het aandeel bereikte kinderen stijgt.
  • Gemeenten bereiken steeds meer kinderen die arm opgroeien: 43% in 2017 en 67% in 2019.
  • 98% van alle gemeenten werkt samen met maatschappelijke partners, zoals met het Jeugdfonds Sport & CultuurLees hier hoe gemeente Lelystad samenwerkt met Jeugdfonds Sport & Cultuur Flevoland.
  • Een deel van de gemeenten heeft moeite met het structureel betrekken van kinderen bij hun beleid. In 2017 was dat nog de helft, maar dit daalde in 2019 naar een derde. Gemeenten vinden het vooral lastig om de motivatie van kinderen vast te houden na een eenmalige activiteit of om een vervolgactiviteit te vinden.
  • Gemeenten geven aan dat het vinden en identificeren van kinderen en gezinnen in armoede lastig is. Vooral kinderen van ouders in loondienst en van zzp’ers. In 2017 had slechts 40% van de gemeenten de (door hen gedefinieerde) doelgroep van kinderen in armoede volledig in beeld. De overige 60% had dit deels tot niet in beeld. Een derde van de gemeenten verwachtte toen snel actie te ondernemen door onder meer extra in te zetten op verbetering van administratieve systemen, samenwerken met maatschappelijke organisaties en verdiepingsonderzoeken naar de omvang van de doelgroep (Bartels, 2018). In 2019 zijn de percentages echter ongeveer gelijk gebleven.
  • Gemeenten geven aan het lastig te vinden om de impact van hun beleid in beeld te brengen. In 2017 kon 17% van gemeenten de impact van haar beleid in beeld brengen. In 2019 evalueerde slechts 8% van de gemeenten (een deel) van hun armoedebeleid.

Verschillen gemeenten

Uit bovenstaande cijfers blijkt dat bijna alle gemeenten een armoederegeling hebben voor sport- en beweegdeelname voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. Per gemeente verschillen de regelingen wel in aanbod, reikwijdte van vergoedingen en wie hiervoor in aanmerking komt (x% van bijstandsnorm). Doordat gemeenten verschillende inkomensgrenzen hanteren, kunnen kinderen in dezelfde omstandigheden in de ene gemeente wél gebruik maken van speciale voorzieningen en in andere niet.

Lees hier waarom gemeente Ede een ruime bijstandsnorm van 130% hanteert

Ook zie je verschillen in de aanpak en organisatie rondom de regelingen. Hoe vraaggericht het aanbod wordt ingericht en of de doelgroep zelf bevraagd wordt en invloed heeft op de voor hen bestemde regelingen. En ook in hoeverre er lokaal wordt samengewerkt om kennis en expertise te delen om deze doelgroep te bereiken, te betrekken en betrokken te houden bij sport- en beweegactiviteiten.

Hoe succesvol vinden gemeenten hun beleid zelf?

Als je de onderzochte gemeenten naar de mate van succes van hun beleid vraagt, vinden de meeste gemeenten hun kinderarmoedebeleid gedeeltelijk of geheel succesvol. Dit succes wordt door hen vooral ervaren door de samenwerking met maatschappelijke organisaties. Door een effectieve samenwerking met maatschappelijke partners kan een gemeente een beter beeld krijgen van de doelgroep en haar wensen en wordt de bekendheid van de voorzieningen vergroot.

Samenwerking met maatschappelijke organisaties

Vrijwel alle gemeenten werken samen met maatschappelijke organisaties, zoals Jeugdfonds Sport & Cultuur, een publiek/privaat fonds. Dit fonds gaat vaak over subsidie van de gemeente om lidmaatschap voor de kinderen te betalen.

Daar waar het Jeugdfonds door de gemeenten genoemd wordt, worden de sportprofessional of de buurtsportcoach nauwelijks door hen als partner benoemd. Ook deze professionals spelen echter een belangrijke rol in het toeleiden van kinderen naar geschikte sport- en beweegactiviteiten en juist het voorkomen van uitval.

Halen gemeenten de ambities?

De ambitie die het kabinet voor 2021 stelde is: “Ieder kind dat in een gezin met een laag inkomen opgroeit, kan meedoen. In 2021 wordt 100 procent van de kinderen met ouders in de bijstand bereikt en 70 procent van de kinderen van de werkende gezinnen met een laag inkomen.”

Uit evaluatie (Bartels 2020) blijkt dat gemeenten die 70% nog niet halen. Zij die dit wel halen, blijken het belang van samenwerken met andere partijen (zoals onderwijs en maatschappelijke organisaties) in te zien. Hier liggen kansen voor meer samenwerking met de sport! De gemeente Vaals bijvoorbeeld werkt nauw samen met de buurtsportcoach en diverse beweegmakelaars. Ook in de gemeente Groningen staat samenwerken hoog in het vaandel. Groningen zet brugfunctionarissen actief in voor samenwerking met scholen.

Succesfactoren

Ook geven de onderzochte gemeenten aan dat hoe diverser en aantrekkelijker het pakket aan kindvoorzieningen is, hoe groter het succes. Gemeente Westland bijvoorbeeld maakte haar pakket aantrekkelijker en biedt sinds dit jaar extra vergoeding aan voor kennismakingslessen.

Ook een belangrijke factor is een eenvoudige en laagdrempelige aanvraagprocedure, zodat ouders/verzorgers van kinderen die arm opgroeien zelf een aanvraag kunnen doen. Gemeenten die hun informatie over de regelingen niet alleen via maatschappelijke organisaties laten lopen, maar ook via social media, een (online) portaal of posters op centrale plekken in de wijken, ervaren bovendien meer succes bij hun aanpak.

Meten = weten?

Toch blijkt het succes van de gemeentelijke armoederegelingen met betrekking tot sport- en beweegdeelname op landelijk niveau lastig te bepalen. Mede omdat het beleid per gemeente anders is en elke gemeente een eigen armoededefinitie hanteert.

Overigens geeft slechts een klein percentage van gemeenten aan dat zij de impact van (delen van) hun kinderarmoedebeleid op de kinderen zelf heeft gemeten. Gemeenten geven aan dit lastig te vinden. Zij vragen zich af welke indicatoren je hanteert, hoe je het netto-bereik inzichtelijk maakt en hoe je het belevingsaspect van het kind hierin meeneemt (Bartels 2020).

Lastige punten voor gemeenten:

  • Omgaan met het taboe rondom armoede.
  • Een ingewikkeld inkomensondersteuningssysteem.
  • Het bereiken, laten meedoen én laten blijven meedoen van de doelgroep. Vooral nu meer gezinnen met kinderen financieel in moeilijke omstandigheden zullen komen door de coronamaatregelen.
  • Privacyregelgeving vanuit de AVG belemmert in veel gevallen gegevensuitwisseling tussen betrokken partijen, en daardoor het in kaart brengen en benaderen van de doelgroep.

Groter bereik onder de doelgroep

De meeste gemeenten hebben vanaf 2017 – toen er extra middelen beschikbaar kwamen – meer kinderen die arm opgroeien weten te bereiken. Gemeente Groningen is daarvan een mooi voorbeeld, die via de zogenoemde brugfunctionarissen, het Belteam en Bslim steeds meer gezinnen en kinderen uit de doelgroep bereikt.

Veel gemeenten probeerden het bereik afgelopen jaren te vergroten door samen te werken met andere organisaties (Bartels, 2018). Het meest effectief blijkt de proactieve aanpak richting de doelgroep door samen te werken met scholen, maatschappelijke organisaties en sociale wijkteams. Deze organisaties kunnen helpen met informatieverstrekking, signalering en doorverwijzen. In gemeente Arnhem bijvoorbeeld, werken Leefomgeving teams samen met partners uit de wijk om te onderzoeken wat er in een wijk speelt en hoe beleid daarop kan inhaken.

Aanbeveling: Betrek de doelgroep in je beleid

Gemeenten kunnen hun armoedebeleid beter inrichten en beter verbinden met hun sport- en beweegbeleid ,als ze weten hoe kinderen het aanbod beleven. En als ze weten wat jongeren willen. Gemeenten proberen dit wel te achterhalen met bijvoorbeeld jongerenpanels, maar dit gebeurt niet structureel. Bovendien sluiten vorm en inhoud vaak nog onvoldoende aan bij de doelgroep. De jeugd voelt zich in het algemeen minder aangesproken door formele vormen van participatie en meer abstracte beleidsonderwerpen.

Denk dus goed na over participatievormen die aansluiten bij de specifieke doelgroep. Op dit moment loopt het onderzoek ‘Kan ik meedoen? Sport en bewegen voor iedere jongere’ bij Kenniscentrum Sport & Bewegen. Daarin komen jongeren die arm opgroeien en nu nog niet deelnemen aan sport en beweegactiviteiten zélf aan het woord over hun interesses, behoeften en beleving van sport en bewegen. De uitkomsten van het onderzoek worden in het voorjaar van 2021 verwacht.

Aanbeveling: Stimuleer vanuit het sportaanbod

Het beleid om sportdeelname van deze groep te stimuleren, wordt vaak nog te eenzijdig benaderd. Het probleem lijkt ‘er is geen geld om mee te doen met sport- en beweegactiviteiten’ en het antwoord is ‘we faciliteren vanuit het armoedebeleid deze deelname door in natura de contributie te betalen en in veel gevallen ook de sportattributen.’ Dat het niet zo zwart-wit is, blijkt wel uit de praktijkartikelen van GroningenVaalsArnhem, Ede en Lelystad en Westland.

Toch blijven er kansen onbenut om deze doelgroep meer vanuit het sportbeleid van de gemeente aansluiting te laten vinden. Denk aan het vraaggericht creëren van toegankelijke voorzieningen en sportactiviteiten in specifieke wijken. Dus niet alleen door het plaatsen van bijvoorbeeld een Cruijff Court, maar ook door aanbod te creëren en te zorgen dat er goede begeleiding en ondersteuning beschikbaar is.

Ook het faciliteren en coachen van sportaanbieders om hun aanbod en manier van begeleiding goed aan te laten sluiten bij de kenmerken van de doelgroep, is een manier om jeugd die arm opgroeit meer duurzaam mee te kunnen laten doen. De buurtsportcoach kan hier een goede verbindende rol in spelen.

Aanbeveling: Samenwerken

Uit het onderzoek blijkt dat veel gemeenten een integrale aanpak willen, maar ook hier is de praktijk vaak weerbarstiger. Armoede gaat de grenzen over van heel veel verschillende beleidsterreinen en maakt de (financiële) afstemming complex. Gemeenten boeken meer succes als ze specifiek aandacht hebben voor kinderen die arm opgroeien én als ze de samenwerking tussen verschillende beleidsafdelingen stimuleren.

Lees hier meer over de samenwerking binnen gemeente Lelystad waarin onder andere kwetsbare jongeren centraal staan

Zoals al eerder vermeld, werkt inmiddels 98% van de gemeenten samen met maatschappelijke organisaties als Stichting Leergeld en Jeugdfonds Sport & Cultuur. Ook scholen bieden een goede ingang om kinderen die arm opgroeien te vinden en via intermediairs door te verwijzen. Dat blijkt uit de cijfers: in 2019 werkte bijna de helft van de gemeenten samen met lokale onderwijsinstellingen, terwijl dat in 2017 slechts één op de vijf was. Een deel van de gemeenten die nu nog niet met scholen samenwerken, wil dat in de toekomst wel gaan doen.

Samenwerken met andere partijen is en blijft dus een speerpunt om de politieke ambitie van 2021 te realiseren. Daarvoor is het versterken en verbreden van de samenwerking tussen het gemeentelijk armoedebeleid en het sport- en beweegdomein ook van groot belang. En deze samenwerking gaat verder dan alleen financiële ondersteuning.

Het kabinet trekt € 100 miljoen per jaar extra uit voor het beleid tegen armoede en schulden. Daarvan is € 85 miljoen voor gemeenten, € 10 miljoen voor 4 fondsen (Stichting Leergeld, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Stichting Jarige Job en Nationaal Fonds Kinderhulp) en € 5 miljoen voor de Subsidieregeling kansen voor alle kinderen.

Meer lezen?

Meer weten?

Neem contact op met Laura Butselaar of Jamilla Vervoort.

Artikelen uitgelicht


Meedoen door sport en bewegen
Jongeren, Kinderen
public, professional
feiten en cijfers
beleidsontwikkelingen, financiering en subsidies, lage inkomens