Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Wat is sport?

Kennisbank

De vraag wat sporten is, is gemakkelijker gesteld dan beantwoord. Volgens de Dikke van Dale (2016) bestaat sport uit “allerlei lichamelijke oefeningen en ontspanning waarbij vaardigheid, kracht en inzicht vereist worden” en dan zou actief gamen hieraan voldoen. Maar dit is niet de enige definitie van sport die gehanteerd wordt. Dit artikel beschrijft de ontwikkeling van dit begrip door de geschiedenis heen, en toont aan dat vanuit onderzoek en beleid hier verschillend tegenaan wordt gekeken.

Oorsprong van de term sport

De etymologische ontstaansgeschiedenis van het begrip sport is niet eenduidig. Volgens Leonard II (1980) is het begrip sport etymologisch afgeleid van het Latijnse woord desporto (“in vervoering raken” of “laten meeslepen”). Dit verwijst naar het fenomeen dat mensen in een activiteit opgaan of door een activiteit worden meegevoerd; denk aan flow of runners high.

Miermans (1955) stelt dat sport komt van de Latijnse term: “disportare”. Dit betekent zich verstrooien, zich verma­ken of zich ontspannen. Het hield tijdverdrijven van twijfelachtige aard in, alsmede scherts, spot, plezier, spel en lichaamsoefeningen. Het Engelse werkwoord “disport” heeft de betekenis van het zichzelf afleiding geven. De oor­spronkelijke bijbedoeling van de mensen was om hun aandacht af te leiden van de hardheid en de druk van het dagelijkse leven door het deelnemen aan de vrolijkheid en grilligheid van speelse, ietwat fysieke activiteiten. Het woord “disport” heeft in het Engels nu nog de betekenis van spel en scherts, maar werd afgekort tot “sport”. Sport wordt gezien als lichaamsoefeningen die tot ontspanning en vermaak dienen.

Sport in het verleden

In de historie waren er volgens Dunning (1971) voor sport in het oude Egypte en Griekenland geen geschreven regels. Wel waren er beschrijvingen van bewegingscultuur (lichaamsoefeningen en ademhalingstechnieken) in de heilige boeken van de hindoes in het oude India (De Veda’s, 2500-500 BC) en in de geschriften van Confucius staan zeden en gewoonten (o.a. boksen en medische gymnastiek) van het oude China (Kugel, 1972).

De renaissance in het vijftiende-eeuwse Italië heeft tot de wedergeboorte van lichamelijke opvoeding en sport geleid in Europa. In diverse landen (o.a. Zweden – Ling, Denemarken – Nachtegall, Duitsland – Vieth / Gutsmuths / Jahn, Zwitserland- Pestalozzi) ontwikkelden zich sportactiviteiten maar die verschilden tussen landen en tussen regio’s. “De Engelse ontwikkeling week af van andere landen toen in de zeventiende en achttiende eeuw boksen, paardenrennen, hardlopen, cricket en roeien op nationaal niveau werden gestandaardiseerd en georganiseerd” (Van Bottenburg, 1994). Dit om incidenten te voorkomen zoals toen William Webb Ellis tijdens een potje voetbal (in de plaats Rugby) besloot om de bal op te pakken in zijn hand en naar voren over de doellijn te lopen.

De internationale standaardisering en verspreiding van de meeste sporten hing samen met migratie, kolonisatie, handel, leger, school, kerk en media. Door die internationale standaardisering was vanaf eind negentiende eeuw tot aan 1965 het bewegingsculturele landschap eenvoudig en overzichtelijk volgens Crum (1992) en waren er duidelijke grenslijnen tussen sport en niet-sport.

Verbreding van sport

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw wordt het begrip sport diffuser omdat meer activiteiten worden aangeduid als sport of als sportief bestempeld. De uitdrukking “er een sport van maken” (met ambitie doen, prestatie nastreven; Van Dale) doet vermoeden dat er geen limiet staat op wat de term sport omvat. Dat is voor media en publiek geen probleem, maar wel voor onderzoekers en beleidsmakers. Waar eindigt sport en waar begint theater, werk, recreatie, circus, spel, kunst of medische oefeningen? Deze discussie speelt al lang want Miermans (1955) schrijft al: “in het spraakgebruik rekent men de meest uiteenlopende bezigheden tot de sport”.

Kunnen we überhaupt wel een definitie of benadering vinden die (a) een onderscheid maakt tussen verschillende sport-gerelateerde begrippen en (b) sport identificeert daar waar het zich voordoet? (Hoyng, 1995). Is het wenselijk en mogelijk om een heldere scheidslijn te trekken tussen activiteiten als schaken, armworstelen, poker, speleologie, twirling, synchroon zwemmen, free running (parcours), dans, duivenmelken, acrobatiek, hondenrennen, theatersport, WrestleMania, ritmische gymnastiek, beugelen, hanengevechten, aerobics, talentenjacht, beweeggames of bommetje springen in een zwembad?

Er zijn wetenschappers die zeggen dat er geen definitie mogelijk is omdat sport een containerbegrip is van een losjes gerelateerde verzameling van activiteiten. Stokvis (1989) stelt dat “iedere definiëring van het begrip sport leidt tot uitsluiten van verschijnselen waarvoor goede argumenten zijn aan te voeren om ze wel als sport te beschouwen”. Anderen (o.a. Guttmann) zijn van mening dat de karakteristieken die de gehele familie van activiteiten gemeen hebben de definitie vormen. Miermans (1955) stelde dat niet de bezigheid op zichzelf, maar de mate waarin en/of de wijze waarop deze geschiedt, bepaalt of al dan niet van sport kan worden gesproken (in water spelen/vrij zwemmen – wedstrijdzwemmen, stoepranden – handbal).

Sport in Onderzoek

Al geruime tijd wordt er onderzoek gedaan naar sport en maken onderzoekers gebruik van definities om het onderzoekveld te kunnen afbakenen. In het vijfjaarlijkse TijdsBestedingsOnderzoek (TBO) van SCP (sinds 1975) en CBS (sinds 2011) wordt de definitie van sport overgelaten aan de respondent. Het Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek (AVO) van SCP werd in 1979 voor het eerst uitgevoerd en kende een toonblad met 27 sporten. Destijds werden bijvoorbeeld denksporten nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten, terwijl die wel werden opgenomen in de ledentalstatistieken van NOC*NSF.

In sport(deelname)onderzoek wordt de definitie van Van Bottenburg veelal gebruikt:

“sport is een menselijke activiteit die veelal plaatsvindt in een specifiek organisatorisch verband maar ook ongebonden kan worden verricht, doorgaans met gebruikmaking van een specifiek ruimtelijke voorziening en/of omgeving, op een manier die is gerelateerd aan voorschriften en gebruiken die in internationaal verband ten behoeve van prestaties met een competitie- of wedstrijdelement in de desbetreffende activiteit of verwante activiteiten tot ontwikkeling zijn gekomen” (Hoyng e.a. , 2003).  

Breedveld (2003) geeft aan dat met begrippen als ‘veelal’ en ‘doorgaans’ deze definitie nog veel ruimte voor interpretatie laat. Hoyng e.a. (2003) stellen dat de weergegeven definitie vanzelfsprekend onbruikbaar is als toelichting op wat in het sportonderzoek onder sport moet worden verstaan. Het is een middel om vanwege onderzoekstechnische redenen activiteiten in- en uit te sluiten. De operationalisering van deze definitie in de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO) leidde tot: “activiteiten die u in de afgelopen 12 maanden heeft beoefend volgens de gebruiken en regels uit de sportwereld”. De antwoordmogelijkheden zijn beperkt tot een toonblad met 44 sporten en bij deze definitie wordt ervan uitgegaan dat een sporter een dergelijke activiteit met een zekere frequentie verricht (minstens 12 keer per jaar).

Met de overgang van AVO (laatste in 2007) naar Vrijetijdsomnibus (VTO) in 2012 zijn de vragenlijsten door SCP aangepast aan de wensen van de sport- en cultuursector (Van den Dool e.a., 2014). Het toonblad van de RSO is gebruikt met een extra opsplitsing van vecht- en verdedigingssporten tot de afzonderlijke opties boksen, karate, kickboksen en taekwondo (toonblad = 47 sporten). Deze ontwikkeling (AVO – RSO – VTO) schetst het probleem van sportonderzoek om telkens te moeten kiezen tussen het behouden van een “oude” definitie om een trendbreuk te voorkomen of over te gaan op een modernere definitie van sport.

Sporten volgens de burger

Als mensen aangeven dat ze gaan sporten, dan worden vele activiteiten daartoe gerekend zoals baantjes zwemmen, joggen, fitnessen, etc. Maar als mensen gevraagd worden of ze zichzelf zien als sporter, dan blijkt dat beoefenaars van sporten die vaak in recreatief verband plaatsvinden (zwemmen, wandelen) zichzelf minder vaak beschouwen als sporter (Van der Werff & Elling, 2014). Teamsporters zien zichzelf relatief vaker als sporter alsmede mensen die in wedstrijd- of verenigingsverband deelnemen. Ook blijkt dat mannen (2012: 43%) zich eerder als sporter zien dan vrouwen (31%).

Of mensen zichzelf zien als sporter hangt in grote mate samen met het aantal keren dat ze per jaar sporten. De richtlijn Sportdeelname Onderzoek gaat uit van minimaal twaalf keer per jaar sporten, maar de gemiddelde Nederlander legt de grens hoger tussen één á twee keer per week (Hoyng e.a. ,2003: 146). In de rapportage Sport 2010 is voor het eerst de ‘wekelijkse’ sporter onderscheiden, waarbij een ondergrens van veertig keer sporten per jaar wordt aangehouden. Van der Werff & Elling (2014) stellen dat de definitie die alleen uitgaat van het aantal keren dat iemand sport te weinig aansluit bij het zelfbeeld van de sporters zelf en dus te beperkt is. Bepaalde groepen (bijv. ouderen en vrouwen) zien zich niet als sporter terwijl ze wel sportactiviteiten doen. Wil je deze doelgroep bereiken, dan kun je beter spreken over sport én bewegen.

Sport in Beleid

Voor het bepalen van wat wel of geen sport is, blijft NOC*NSF primair aansluiting zoeken bij de internationale Sportdefinitie zoals gehanteerd door Sportaccord. Het doel van Sportaccord is niet om een algemene wetenschappelijke statische definitie van sport te hebben, maar een heldere en pragmatische beschrijving van activiteiten die als sport beschouwd kunnen worden. Sport wordt hier verdeeld in de volgende categorieën:

  • hoofdzakelijk lichamelijk
  • hoofdzakelijk geestelijk
  • hoofdzakelijk gemotoriseerd
  • hoofdzakelijk coördinatie
  • hoofdzakelijk dier ondersteunend

Om te worden toegelaten tot de lijst met sporten moet een activiteit: (i) een vorm van competitie hebben, (ii) niet afhankelijk zijn van een geïntegreerde geluksfactor, (iii) niet worden bepaald door onnodige gezondheid- of veiligheidsrisico’s van deelnemers, (iv) mag geenszins schadelijk zijn voor een levend wezen, en (v) mag niet afhankelijk zijn van materiaal wat door één aanbieder wordt aangeboden. Deze toelatingseisen zijn niet heel hard want aanvragen van activiteiten die beperkt lichamelijke of atletische activiteit vergen worden zeer zorgvuldig overwogen. Denk aan denksporten en gemotoriseerde sporten waar het lichamelijke aspect minder dominant is. Ook de relatie tussen sport en kunst is speciaal van belang bij jury-sporten.

NOC*NSF heeft bepaald in de notitie ledendefinitie dat aan de erkenning van een internationale federatie door Nederlandse sportbonden geen rechten kunnen worden ontleend, noch dat bepaalde typisch Nederlandse sporten die niet Sportaccord erkend zijn per definitie niet voor een NOC*NSF-lidmaatschap in aanmerking kunnen komen. Mandaat om te besluiten om sportbonden al dan niet als lidorganisatie toe te laten, blijft te allen tijde liggen bij de Algemene Vergadering van NOC*NSF.

Als je als beleidsmaker je beperkt tot de bij NOC*NSF aangesloten bonden sluit je vele historische en moderne vormen van sport en bewegen uit (bijv. volkssporten, free running). Hou bij het gebruiken van een bepaalde definitie rekening met welke activiteiten je in- en uitsluit. Een definitie met nadruk op fysieke activiteiten kan inhouden dat er misschien voorbeelden (freefight, nieuwjaarsduik, crashed ice down hill skating) zijn die je als beleidsmaker niet wil subsidiëren. Geen definitie hanteren betekent dat allerlei organisaties een beroep kunnen doel op gemeentelijke sportsubsidies als duivenmelkers, vissers, klaverjas-verenigingen, cage- of freefight organisatoren, plattelandsverenigingen met een jaarlijkse sportdag, etc. Sportbeleid wordt steeds vaker verbreed tot sport- en beweegbeleid waardoor de discussie niet meer over de definitie van de activiteit gaat, maar over welke bijdrage het kan leveren aan de samenleving t.a.v. gezondheid, welzijn, etc.

Conclusie

Sport is een lastig te omschrijven begrip en daarbij al decennia lang onderhevig aan verandering. Maar is dat een probleem? Het lijkt alsof voor “sport als doel” en “sport als middel” twee verschillende definities gehanteerd worden. Bij sport als doel wordt vaak een enge definitie van sport toegepast met kenmerken als:

  1. lichamelijke activiteit,
  2. wedstrijdelement,
  3. het streven naar uitmuntendheid,
  4. reglementering en
  5. institutionalisering.

Sport is dan een lichamelijke activiteit waarbij het gaat om het vergelijken van vaardigheden (zoals coördinatie, balans, vlugheid, nauwkeurigheid, snelheid, kracht, uithoudingsvermogen, enz.). 

Sport wordt echter meer en meer ingezet als middel voor maatschappelijke doelen. Een ruime definitie is dan vaker wenselijk omdat er diverse sport- en beweegactiviteiten zijn die voor het bereiken van beleidsdoelen kunnen worden ingezet. Fitness kan een prima bijdrage leveren aan gezondheidsdoelstellingen, fierljeppen aan (behoud van) de Friese cultuur en bridge aan Wmo-doelstellingen. Deze brede definitie van sport brengt ons weer dicht bij de Latijnse term “disportare” wat werd gezien als spel en lichaamsoefeningen die tot ontspanning en ver­maak dienen.

Voor meer informatie over een theoretische analyse van het sportbegrip verwijzen we naar de publicatie Grenzen aan de Sport (Steenbergen, 2004).

Kenniscentrum Sport hanteert geen statische definitie van sport en wil graag vraagbaak zijn op alle vragen over sport en bewegen.

Bronnen

  • Bottenburg, M. Van (1994). Verborgen competitie. Amsterdam: Bert Bakker
  • Breedveld, K. (2003). Rapportage sport 2003, pag. 7-9
  • Cobussen, S., Puyt, E., & Ven, A. van de (2015). Sportbeleid in Nederland: van vereniging tot rijksbeleid. Bussum: Coutinho.
  • Crum, B. (1992). Over versporting van de samenleving: reflecties over bewegingsculturele ontwikkelingen met het oog op sportbeleid. Haarlem: de Vrieseborch.
  • Dale, van (2015). Woordenboek
  • Dool, R. van den, Tiessen-Raaphorst, A. & Broek, A. van den Broek (2014). VTO als nieuwe bron van informatie over sport- en cultuurparticipatie, een vergelijking met AVO.
  • Dunning, E. (1971). The sociology of sport; a selection of readings. London, UK: Frank Cass & Co. ltd.
  • Edwards, H. (1973). Sociology of sport. Homewood, illinois, USA: the Dorsey Press
  • Hoyng, J (1995). De sociale betekenis van sport. Tilburg: afstudeerscriptie Universiteit van Tilburg.
  • Hoyng, J., Verhaaf, M. (2017). Beleidswijzer sport en bewegen. Ede: Kenniscentrum Sport.
  • Hoyng, J., Roques, C. & Bottenburg, M. van (2003). Kerngegevens sportdeelname. Den Bosch: Mulier instituut.
  • Knop, P. de, J. Scheerder & B. Vanreusel (2002), ‘Sportsociologie’, Elsevier Gezondheidszorg, Maarssen
  • Kugel, J. (1972). Geschiedenis van de gymnastiek. Haarlem: De Vrieseborch
  • Leonard II, W. (1980). A socialogical perspective of sport. Minneapolis, Minnesota, USA: Burgess Publishing Company.
  • Miermans, C. (1955). Voetbal in Nederland; een onderzoek naar de maatschappelijke en sportieve aspecten. Assen: Van Gorcum & Comp. NV.
  • NOC*NSF (2016). Gespreksnotitie inzake Governance Sportagenda 2016
  • Sportaccord (2015). Definition of sport
  • Steenbergen (2004). Grenzen aan de sport; een theoretische analyse van het sportbegrip. Maarssen: Elsevier.
  • Steenbergen, J. & Tamboer, J. (1998). Het dubbelkarakter van sport; een conceptuele dynamiek. In: waarden en normen in de sport; analyse en beleidsperspectief. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
  • Werff, H. van der, & Elling, A. (2014). Wie ziet zichzelf als sporter?: factsheet. Utrecht: Mulier Instituut.

Literatuurverwijzing: Hoyng, J., Weghorst, B., & Kenniscentrum Sport (2016). Wat is sport?.

Uitgifte datum: 2016

Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.