Alles over sport logo

3 Inzichten over betaalbare sport in meer en minder stedelijke gemeenten

Als gemeente wil je dat iedereen kan meedoen met sport en bewegen. Ook gezinnen met een lager inkomen. Voor (lokale) beleidsmakers is het daarom interessant om met verschillende brillen naar de betaalbaarheid van sport te kijken. Eén bril is de samenhang tussen contributie en ‘mate van stedelijkheid’. Zijn er contributieverschillen tussen meer en minder stedelijke gemeenten? Wat betekent dat voor inwoners? In dit artikel lees je inzichten uit onderzoek (2019-2020) en lessen voor de praktijk.

In de jaarlijkse contributiemonitor volgen Mulier Instituut, Fontys Economische Hogeschool (SPECO) en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) hoeveel contributie mensen betalen bij sportaanbieders, en hoe duur toegangskaartjes zijn voor bijvoorbeeld zwembad of klimhal. In 2020 onderzochten zij net als in voorgaande jaren de relatie tussen stedelijkheid en betaalbaarheid van sport.

Uitkomst 1: In de stad betaal je meer contributie

In Brabant zien we dat inwoners van een stad meer contributie betalen bij de sportvereniging. Het is een glijdende schaal: hoe stedelijker een gebied is, hoe hoger de contributie. De contributie in zeer sterk stedelijke gemeenten is zo’n anderhalf tot tweemaal zo hoog als de contributie in niet-stedelijke gebieden.

In het onderzoek gold dit verschil voor een groot deel van de voetbalverenigingen[1]. Het verschil kwam dus niet door enkele voetbalverenigingen met excessief hoge contributies. Overigens is lidmaatschap van sportverenigingen in grote steden sowieso veel minder populair dan in minder en niet-stedelijke gebieden. Ook zien we dan in stedelijke gebieden iets minder mensen sporten en bewegen. Lees meer over sportdeelname en clublidmaatschap in 2019. En goed om te vermelden dat contributiehoogte één van de factoren is die sportdeelname beïnvloeden.

Uitkomst 2: Contributieverschillen het grootst bij kinderen

Het verschil op basis van stedelijkheid blijkt in Brabant het grootst bij pupillen (richtleeftijd 8 jaar). Voor jonge kinderen is lidmaatschap bij de sportvereniging in een meer stedelijke gemeente fors duurder dan in een minder stedelijke gemeente.

Meedoen met sporten en bewegen is voor álle kinderen belangrijk, om zich fysiek, mentaal en sociaal te ontwikkelen. Op de sportvereniging ontmoeten ze anderen, leren ze nieuwe vaardigheden en hebben ze plezier. Dat helpt hen bovendien later om mee te doen met de samenleving. Maar voor kinderen uit lage inkomensgezinnen kan de hogere contributie een drempel opwerpen voor lidmaatschap. De verschillen in contributie lijken daarmee vooral de jonge kinderen te benadelen uit armere gezinnen in de stad.

Regelingen voor kinderen uit lage inkomensgezinnen

Veel gemeenten hebben overigens speciale kindpakketten om kinderen die opgroeien in armoede dezelfde kansen te geven als kinderen uit meer welvarende gezinnen. Zo kunnen ook zij meedoen aan sport en cultuur. Denk aan een stadspas, samenwerking met maatschappelijke organisaties (Jeugdfonds Sport & Cultuur, Stichting Leergeld), een gemeentelijk fonds of algemene gemeentelijke regelingen. De hoogtes van deze regelingen zijn vaak gebaseerd op de contributieprijzen van sportaanbieders. Dit verschilt dus per gemeente. Echter, er zijn ook kinderen van wie de ouders net genoeg verdienen om geen aanspraak te maken op de regelingen. Zij vallen mogelijk tussen wal en schip.

Anders georganiseerde sport

De onderzoekers van Fontys (SPECO) stellen overigens dat niet alleen de hogere contributies bij verenigingen voor jongere kinderen een mogelijke drempel zijn. Ook anders georganiseerde vormen van sport gaan misschien aan deze groep voorbij. Onder tieners en volwassenen zijn commerciële sportaanbieders als fitnesscentra snel populair geworden, maar voor jongere kinderen lijken zulke alternatieven er minder te zijn. Voor gemeenten kan het interessant zijn om eens te kijken wat de impact is van contributie op verschillende leeftijdsgroepen, voor verschillende soorten sport.

Cijfers over armoede

Uitkomst 3: Contributieverschillen staan haaks op sociale doelen

In Brabantse steden is lid zijn bij een sportvereniging dus duurder, vooral voor jonge kinderen. Dit kan een probleem vormen voor gemeenten. Als gemeente speel je namelijk een belangrijke rol bij het bestrijden van (de gevolgen van) armoede, en streef je naar participatie en inclusie van kwetsbare groepen. De contributieverschillen kunnen hierbij in de weg staan.

Zoals gezegd, kennen gemeenten regelingen om deze sociale doelen te helpen realiseren. Deze en andere inspanningen vanuit gemeenten om sport te stimuleren, moeten de groep om wie het gaat wel bereiken. Als losse groep, of als onderdeel van een cluster met andere groepen waarvoor sportstimulering georganiseerd wordt [2]. De uitkomsten van dit onderzoek laten zien dat om sociale doelen te bereiken, wellicht extra aandacht en maatregelen nodig zijn om contributieverschillen tussen gemeenten aan te pakken en jonge kinderen de kans te geven mee te doen.

Inzichten voor sportbeleid

  1. Kijk eens met deze bril naar de contributies van lokale sportaanbieders. Kan de hoogte daarvan bepaalde groepen belemmeren om lid te worden bij een sportclub?
  2. Ga in gesprek met bestuurders van sportverenigingen over de (maximale) hoogte van contributies. Je kunt kijken of je voor pupillen en junioren de prijsverschillen in met name stedelijke gebieden kunt terugbrengen door met sportverenigingen samen te werken. Bijvoorbeeld door hen extra te ondersteunen, op basis van ledenaantallen van bepaalde groepen leden, bij het organiseren of financieren van sportactiviteiten voor die groepen.
  3. Kijk naar groepen die veel bewegen tussen gemeenten, zoals forenzen en studenten, die ‘thuis’ betaalbaar kunnen sporten, maar die in de stad moeilijker betaalbaar sportaanbod vinden. Voor hen kan aandacht voor betaalbaar en laagdrempelig sporten nabij werk en studie een aanvulling zijn op hun verenigingssport in de gemeente waarin zij wonen.
  4. Werk samen met andere gemeenten.
  5. Gebruik zichtbare (beweeg)doelstellingen. Bijvoorbeeld: 70% of meer van inwoners tussen 25 en 40 jaar in de wijk Noord voldoet aan de Beweegrichtlijn.
  6. Stimuleer sportaanbieders om samen te werken. Het lijkt raadzaam om verenigingen en anders georganiseerde sport meer te laten samenwerken om doelen te bereiken.
  7. Ondersteun specifieke groepen. Dit geldt vooral voor stedelijke gemeenten. Geef bijvoorbeeld gerichte steun aan: jonge kinderen in zeer stedelijke gemeenten die geen lid zijn van een sportvereniging, die niet voldoen aan de Beweegrichtlijn en voor wie kosten voor bewegen mogelijk een drempel vormen.
  8. Onderzoek passend sportaanbod voor jonge kinderen in sterk stedelijke gemeenten.
  9. Onderzoek of gemeentelijke initiatieven voor laagdrempelige en betaalbare beweeginitiatieven verder ontwikkeld kunnen worden. Deze initiatieven blijken een belangrijke functie te vervullen.
Meedoen door sport en bewegen
professional
feiten en cijfers
lage inkomens