Waarom gedragsmodellen?
Als je als professional mensen helpt om meer, vaker of anders te bewegen, werk je in feite aan gedragsverandering. Dat is best complex. Gedrag wordt namelijk beïnvloed door externe factoren – zoals de fysieke omgeving en sociale kring[1,2] – als interne factoren – zoals attitude en motivatie[3,4]. Gedragsmodellen helpen dit proces beter te begrijpen. Ook kun je zo de aanpak beter afstemmen op de doelgroep.
Relevante gedragsmodellen voor beweeggedrag
De volgende vijf modellen vormen de basis voor gedragstheorieën en kennis over het veranderen van beweeggedrag. Per model komen de basisprincipes, de toepassing en mogelijke beperkingen aan bod.
1. Theorie van gepland gedrag
De Theorie van Gepland Gedrag (Theory of Planned Behavior)[3] is ontwikkeld door Icek Ajzen. Dit model stelt dat gedrag wordt bepaald door de intentie om het gedrag te vertonen. Deze intentie wordt volgens deze theorie beïnvloed door drie kernfactoren:
- Attitude: De persoonlijke houding ten opzichte van het gedrag. Dit omvat de verwachte voordelen en de nadelen van het gedrag. Hoe positiever iemand staat tegenover het gedrag, hoe groter de kans dat hij of zij het zal vertonen.
- Subjectieve norm(en): De perceptie van sociale druk om bepaald gedrag te vertonen. Dit gaat over hoe iemand denkt dat anderen (zoals vrienden, familie of collega’s) het gedrag beoordelen en de perceptie van de mate waarin anderen het gedrag zelf vertonen. Wanneer iemand denkt dat anderen het gedrag als normaal of goed beschouwen en het door anderen wordt uitgevoerd, neemt de kans toe dat degene het gedrag ook zal uitvoeren.
- Waargenomen gedragscontrole: De mate waarin iemand denkt in staat te zijn om het gedrag uit te voeren. Dit is gebaseerd op interne factoren (zoals eigen vaardigheden of ervaring) en externe factoren (zoals beschikbare middelen of obstakels in de omgeving). Hoe groter het gevoel van controle, hoe waarschijnlijker het is dat de intentie wordt omgezet in gedrag.

Deze sociaal-cognitieve theorie is een van de meest gebruikte modellen om menselijk gedrag te verklaren en te voorspellen. Een bepaalde intentie leidt alleen niet altijd tot daadwerkelijk gedrag. Dit heet de intention-behavior gap. Onderzoekers schatten dat ongeveer 46% van de intenties daadwerkelijk wordt omgezet in gedrag[5]. Kortom, de Theorie van Gepland Gedrag biedt waardevolle inzichten in hoe intenties ontstaan, maar als professional heb je aanvullende inzichten en strategieën nodig om gedrag te veranderen.
ASE-model
Een veelgebruikt model dat sterk gebaseerd is op de Theory of Planned Behaviour, is het ASE-model. ASE staat voor Attitude, Sociale invloed en Eigen-effectiviteit. In dit artikel lees je meer over het ASE-model.
2. Het Transtheoretisch Model
Het Transtheoretisch model (Transtheoretical model)[6-7] is ontwikkeld door Prochaska en DiClemente. Dit model beschrijft gedragsverandering als een proces dat verschillende fasen doorloopt. De theorie stelt dat mensen zich eerst onbewust zijn van de noodzaak tot verandering.
In de fase erna worden mensen zich bewust van de noodzaak tot verandering, bijvoorbeeld door een ingrijpende gebeurtenis, zoals de geboorte van een kind (‘ik wil een goed voorbeeld geven’) of een gezondheidsklacht (‘ik wil pijnvrij hardlopen’). Vanaf dat moment doorlopen mensen volgens het model nog drie verschillende fasen voordat nieuw gedrag een gewoonte wordt. In totaal beschrijft het model vijf fasen1:
- Precontemplatie: De persoon is zich niet bewust van de noodzaak om te veranderen en heeft geen intentie om te veranderen.
- Contemplatie: Er ontstaat besef dat verandering nodig is, maar er is twijfel of onzekerheid om een begin te maken.
- Voorbereiding: De persoon is van plan om actie te ondernemen, heeft daarvoor vaak al enkele stappen gezet en heeft een concreet plan.
- Actie: De persoon vertoont het nieuwe gedrag in de praktijk.
- Onderhoud: De persoon houdt het gedrag langere tijd vol. De focus ligt op het versterken van gewoontes en het voorkomen van terugval.

Het Transtheoretisch Model wordt veel en effectief gebruikt in de praktijk. Het model vormt ook de basis van de Beweegcirkel van Kenniscentrum Sport & Bewegen. Dit is een gesprekstool waarmee professionals gedragsverandering stapsgewijs begeleiden.
Het Transtheoretisch Model heeft ook enkele beperkingen. Zo suggereert het een chronologisch verloop van gedragsverandering, terwijl mensen in werkelijkheid fasen soms overslaan, terugvallen of meerdere fasen tegelijkertijd doorlopen. Daarnaast gaat het uit van bewuste keuzes, terwijl veel gedrag ook onbewust en automatisch plaatsvindt[2].
Kortom, het model biedt waardevolle inzichten in gedragsverandering en ondersteuningsbehoefte per fase, maar vraagt om flexibele toepassing. Sluit daarbij goed aan bij de persoonlijke verandering en behoefte van het individu.
3. Zelfdeterminatie Theorie
De Zelfdeterminatietheorie (Self-Determination Theory)[4] is ontwikkeld door Deci en Ryan. Dit model richt zich op motivatie en onderscheidt intrinsieke motivatie (iets doen omdat het leuk is of voldoening geeft) van extrinsieke motivatie (gedrag dat wordt gestuurd door externe beloningen of druk).
Volgens de theorie zijn mensen het meest intrinsiek gemotiveerd, en is de kans het grootst dat nieuw gedrag wordt volhouden, wanneer drie basisbehoeften worden vervuld:
- Autonomie: keuzevrijheid ervaren
- Competentie: gevoel van bekwaamheid
- Verbondenheid: positieve relaties en steun van de omgeving ervaren
De theorie wordt veel toegepast in interventies om beweging te stimuleren. Bijvoorbeeld doordat deelnemers keuze hebben uit verschillende vormen van bewegen of activiteiten, er verschillende intensiteitsniveaus of moeilijkheidsgraden worden aangeboden, of door sociaal contact te bevorderen.
Tegelijkertijd roept de theorie ook de vraag op: kunnen er ook andere – misschien even belangrijke – factoren zijn die motivatie beïnvloeden? Mensen kunnen tenslotte meerdere motivaties, behoeften en belemmeringen tegelijkertijd ervaren, die ook nog eens kunnen veranderen. Hoe dat zit lees je in het artikel over de Beweegbalans.
Kortom, start met autonomie, competentie en verbondenheid, maar kijk per persoon daarna ook of andere factoren hun motivatie kan versterken.
Lees meer over motivatie
Het gaat hier over de oorspronkelijke Zelfdeterminatietherie van Deci en Ryan, uit 1985[4]. In latere uitwerkingen van de Zelfbeschikkingstheorie wordt een continuüm van motivatie gepresenteerd, variërend van amotivatie tot intrinsieke motivatie. Meer over de toepassing van deze verschillende motivaties lees je in het artikel ‘Hoe zorg je voor de juiste motivatie om beweeggedrag te veranderen?’ en in de Factsheet motivatie.
4. Dual System Models
De Dual-System Models, zoals bijvoorbeeld beschreven door Kahneman[2], verklaren menselijk gedrag aan de hand van twee verschillende processen in het brein:
- Het snelle en automatische systeem: Dit onbewuste systeem werkt op basis van intuïtie, gewoonten en primaire behoeften. Het is efficiënt omdat het tijd en energie bespaart, maar kan gedragsverandering moeilijker maken. Ingesleten gewoonten en automatische reacties krijgen vaak voorrang.
- Het langzame en bewuste systeem: Dit systeem komt in actie bij complexe taken, zoals plannen maken en overwogen beslissingen nemen, wanneer we voldoende gelegenheid hebben om die bewuste keuze te maken[8]. Het speelt een cruciale rol bij zelfregulatie en het aanleren van nieuwe gewoonten.
De Dual-System Models benadrukken het onderscheid tussen bewuste en onbewuste processen in menselijk gedrag. Dit onderscheid helpt de intention-behavior gap beter te begrijpen: hoewel iemand de intentie kan hebben om meer te bewegen (systeem 2), kunnen automatische reacties en gewoonten dit in de weg staan (systeem 1).
Toch is het waarschijnlijk dat deze systemen niet volledig los van elkaar opereren, bewuste processen hebben altijd enige invloed op de onbewuste processen. Bij het stimuleren van beweeggedrag is het daarom zinvol om beide systemen aan te spreken. Dit kan bijvoorbeeld door intrinsieke motivatie te versterken (systeem 2) en tegelijkertijd de omgeving zo in te richten dat deze automatisch gezond beweeggedrag uitlokt (systeem 1).
Nudging en boosting
Wil je meer lezen over hoe je onbewuste en bewuste keuzes kunt sturen? Lees dan het artikel ‘Onbewuste en bewuste keuzes sturen door nudging en boosting’.
5. Ecologische Model van Bronfenbrenner
Het Ecologische Model van Bronfenbrenner (Bronfenbrenner’s Ecological Model)[1] beschrijft menselijk gedrag als het resultaat van interacties tussen een individu en vijf omgevingsniveaus. Toegepast op beweeggedrag:
- Microsysteem: Directe invloeden, zoals familie, vrienden en werk. Sociale steun of tegenwerking in deze (fysieke) omgeving kan beweeggedrag stimuleren of belemmeren.
- Mesosysteem: De interacties tussen verschillende microsystemen, zoals de invloed van werk op de tijd om te sporten met vrienden.
- Exosysteem: Indirecte invloeden, zoals gemeentebeleid of een werkgever die beweging stimuleert via flexibele werktijden.
- Macrosysteem: Brede maatschappelijke factoren, zoals sociaal-economische ongelijkheid en culturele normen rond gezondheid en bewegen.
- Chronosysteem: De invloed van levensfasen, zoals veranderende interesses bij het ouder worden en technologische vooruitgang die beweeggedrag beïnvloeden. Het chronosysteem maakte geen deel uit van het oorspronkelijke Ecologische Model van Bronfenbrenner[1], maar werd later toegevoegd[9].

Het Ecologische Model van Bronfenbrenner laat zien dat (beweeg)gedrag niet alleen afhangt van het individu, maar wordt beïnvloed door sociale, beleidsmatige en maatschappelijke factoren. Een praktische beperking van het model is dat niet alle factoren direct te veranderen zijn. Door de verschillende lagen van de omgeving waarin iemand zich bevindt mee te nemen en in te zetten op beïnvloedbare factoren, kun je als professional de kans op succesvolle gedragsverandering vergroten.
Geleerde lessen
Gedragsmodellen bieden waardevolle inzichten in menselijk gedrag en helpen bij het ontwikkelen van een kansrijke aanpak om beweeggedrag te veranderen. Tegelijkertijd is gedrag een complex samenspel van factoren, wat maakt dat geen enkel model in elke situatie volledig toereikend is. Het combineren van inzichten uit verschillende modellen kan daarom helpen de kans op een succesvolle aanpak te vergroten.
Vijf praktische lessen specifiek voor beweegstimulering:
- Begin met belangrijke voorspellers van gedrag: Attitude, normen en zelfeffectiviteit zijn belangrijke voorspellers voor intenties en gedrag (Theorie van gepland gedrag). Maar let op: dit is niet het hele verhaal. Gedrag wordt door meer beïnvloed. Als professional heb je aanvullende inzichten en strategieën nodig om gedrag te veranderen.
- Gedrag verandert, net als mensen: Gedragsverandering verloopt in fases (Transtheoretisch Model) en mensen hebben per fase andere ondersteuning nodig. Maar let op: gedragsverandering verloopt niet altijd chronologisch. Houdt rekening met terugval en onvoorspelbare vooruitgang.
- Motivatie kan veranderen: Wat begint als een ‘moetje’ kan veranderen in iets wat iemand waardevol of leuk vindt (Zelfdeterminatie Theorie). Ondersteun dit door autonomie, competentie en verbinding te versterken: geef keuzevrijheid, stel haalbare doelen en stimuleer sociaal contact. Tip: houd ook oog voor andere motivatiebronnen.
- Weten is nog geen doen: Veel gedrag is onbewust (Dual Systems) en alleen informeren of overtuigen is vaak niet genoeg. Help bijvoorbeeld nieuwe gewoontes te vormen, zoals via implementatie-intenties (‘als-dan-plannen’): laat mensen een concrete handeling koppelen aan een specifiek moment. Zoals: ‘Als ik om 17:00 uur thuiskom, ga ik eerst een halfuur wandelen’.
- Vergeet de omgeving niet: Gedrag vindt plaats in een sociale en fysieke context (Bronfenbrenner). Breng de verschillende omgevingsniveaus die gedrag beïnvloeden in kaart en zet in op beïnvloedbare factoren.
Gedragsmodellen in de praktijk
De gedragsmodellen in dit artikel vormen een goede basis om beweeggedrag beter te begrijpen en te beïnvloeden. Wil je meer weten over de genoemde modellen en hoe je ze kunt gebruiken in jouw werkpraktijk? Bekijk dan de verdiepende artikelen per theorie.
Maar er is meer. Ga je aan de slag met een gedragsanalyse van je doelgroep of met het ontwikkelen of verbeteren van een interventie? Dan zijn de basismodellen vaak te simpel om een doelgroep goed te doorgronden.
Meer geïntegreerde modellen bieden dan extra houvast. Modellen zoals I-Change en Behavior Change Wheel (COM-B) combineren inzichten uit verschillende theorieën. Ze helpen je stap voor stap te analyseren waarom mensen (nog) niet in beweging komen en welke aanpak daarbij past. Zo bouw je aan een kansrijke aanpak.
E-book Beweeggedrag veranderen
Wil je meer weten over het veranderen van beweeggedrag en een praktisch stappenplan om mee aan de slag te gaan? Lees dan het E-book Beweeggedrag veranderen van Kenniscentrum Sport & Bewegen.
- Soms wordt ook een zesde fase beschreven, de zogenaamde beëindigingsfase (Termination) ↩︎
Bronnen
- Bronfenbrenner U. The ecology of human development: experiments by nature and design. Cambridge, MA: Harvard University Press; 1979.
- Kahneman D. Thinking, fast and slow. New York: Farrar, Straus and Giroux; 2011.
- Ajzen I. From Intentions to Actions: A Theory of Planned Behavior. In: Kuhl J, Beckmann J (eds) Action Control: From Cognition to Behavior. Berlin, Heidelberg: Springer; 1985. p11–39.
- Deci, E. L. & Ryan, R. M. (1985). Intrinsic motivation and self-determination in human behavior. New York: Plenum.
- Rhodes RE, De Bruijn G. How big is the physical activity intention–behaviour gap? A meta‐analysis using the action control framework. British J Health Psychol 2013; 18: 296–309.
- Prochaska JO, DiClemente CC. Transtheoretical therapy: Toward a more integrative model of change. Psychotherapy: Theory, Research & Practice 1982; 19: 276–288.
- Prochaska JO, Velicer WF. The transtheoretical model of health behavior change. Am J Health Promot 1997; 12: 38–48.
- Fazio RH. Multiple Processes by which Attitudes Guide Behavior: The Mode Model as an Integrative Framework. In: Advances in Experimental Social Psychology. Elsevier, pp. 75–109.
- Bronfenbrenner U. Ecological models of human development. In: International encyclopedia of education. 2nd ed. Vol. 3. Oxford: Pergamon Press/Elsevier; 1994. p. 1643‑1647.