Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Sport en euro’s: zo zit de sporteconomie in elkaar

Artikel

Geplaatst op 13 juni 2018

Sport is een belangrijk onderdeel van de Nederlandse samenleving en in veel aspecten van sport speelt geld een rol. Maar hoe zit die sporteconomie nu in elkaar? Wat bedoelen we met de economische waarde van sport? En hoe zit het met de betaalbaarheid van sport? In dit artikel kijken we met een economische bril naar de sport. Het biedt inzicht in de verschillende waarden die sport kan hebben en aanknopingspunten voor de uitwerking van (sport)beleid.

De maatschappelijke waarde van sport

Op het gebied van sport en economie of de ‘bijdrage van sport aan de welvaart’ kunnen we een aantal thema’s onderscheiden. Sport draagt ten eerste bij aan maatschappelijke waarden als gezondheid, participatie, sociale cohesie etc. De kernwaarden vind je terug in het Human Capital Model van Richard Bailey. De meeste maatschappelijke waarden zijn nog moeilijk in geld uit te drukken. Het rapport ‘De sociaaleconomische waarde van sport en bewegen’ laat zien dat dit voor gezondheid en arbeid aardig lukt, maar dat de onderbouwing van de sociale waarde van sport achterblijft. Meer hierover lees je in dit artikel.

Sport als markt: 8 weetjes

Ten tweede draagt sport – als we de sportsector zelf als markt zien – bij aan de Nederlandse economie (de nationale welvaart). De satellietrekening sport, een product van het CBS om de sporteconomie te volgen, toont de belangrijkste economische indicatoren van de sport in Nederland, denk aan werkgelegenheid en sportgerelateerde productie en bestedingen. Hieronder de meeste recente data (2012), nieuwe cijfers volgen later in 2018:

  1. In de sport waren in 2012 130.000 mensen werkzaam, dat was 1,3% van de werkgelegenheid
  2. De arbeidsinzet van vrijwilligers in de sport kwam neer op 56.000 arbeidsjaren
  3. De sport was goed voor € 11,5 miljard aan sportgerelateerde geproduceerde goederen en diensten
  4. Sport voegde een waarde van € 6 miljard toe aan de economie
  5. 1% van bbp Nederland kwam uit de sporteconomie, dat is vergelijkbaar met de metaalproductenindustrie en tweemaal zo groot als de farmaceutische industrie
  6. Sportgerelateerde bestedingen kwamen uit op € 11,7 miljard: huishoudens hebben hierin met € 8,4 miljard het grootste aandeel, de overheid staat op € 3,3 miljard
  7. Huishoudens geven het meeste geld (gemiddeld € 1.100) uit aan lidmaatschappen (38%), gevolgd door sportbenodigdheden (22%) en horeca (16%)
  8. Overheidsbestedingen bestaan vooral uit lessen lichamelijke opvoeding op school en onderhoud van sportterreinen en zwembaden
  9. Het onderwijs en de bedrijfstak sport dragen het meest bij aan de sporteconomie. Horeca en onderwijs ‘verdienen’ het meest aan sport.

Lokale marketing

Ook kan sport bijdragen aan lokale welvaart. Dat wordt mooi zichtbaar in het economisch ontwikkelingsmodel van de Vereniging Sport & Gemeenten. Hierbij gaat het met name om de vraag hoe sport behulpzaam kan zijn in de city- (of regio-) marketingstrategie. Onderdelen die hierin een rol spelen zijn de impact van (sport)evenementen, sportvoorzieningen als katalysator voor gebiedsontwikkeling en – bij voorkeur in combinatie met onderwijs of als onderdeel van het toeristisch-recreatief aanbod – ten behoeve van het vestigingsklimaat. Een bloeiend verenigingsleven, mogelijkheden tot sportief bewegen en een profilering als gezonde stad kunnen tevens bijdragen aan de aantrekkelijkheid van een stad of regio. Hiernaast kunnen specifieke (vaak grotere) gemeenten zich ontwikkelen als sportbedrijven- of sportwerkstad of verbindingen leggen gericht op innovatie in en door sport.

Betaalbaarheid van de sport

Deze bijdragen die sport heeft in onze maatschappij en economie vallen of staan bij sportparticipatie/-deelname. En de vraag die lokaal daarbij speelt, is ‘hoe houden we sport(aanbod) en accommodaties betaalbaar?’ Zowel vanuit het perspectief van de sporter zelf, als vanuit het perspectief van gemeenten, de belangrijkste financier van de sportsector. Het Mulier Instituut bracht recent een aantal publicaties uit rondom dit thema. De hoofdlijnen beschrijven we hier.

Het perspectief van de sporter

Sport draait in eerste instantie om de personen die het beoefenen, de sporters. Het rapport over consumentenuitgaven aan sport laat zien dat in driekwart van de Nederlandse huishoudens uitgaven aan sport worden gedaan. Jaarlijks zeggen huishoudens gemiddeld € 672 uit te geven, vooral aan lidmaatschappen. Naarmate het inkomen toeneemt en het huishouden groter wordt, neemt niet alleen het aandeel toe dat uitgaven aan sport doet, maar ook de hoogte van het bedrag. Sport bleek eerder, ten tijde van de recessie, niet hoog op bezuinigingslijstjes te staan, maar ook nu de economische situatie enigszins verbeterd is, wordt er niet veel meer geld aan sport uitgegeven. De uitgaven zijn dus ongevoelig voor economische ontwikkelingen.

Nog meer inzichten:

  • Lidmaatschappen worden vooral opgezegd omdat men de sport niet meer leuk vindt. Kosten zijn de belangrijkste reden om te stoppen met sporten in huishoudens met lage of teruglopende inkomens. Van de opzeggers (11% van de huishoudens) kiezen drie van de tien voor een ander lidmaatschap. In zes van de tien gevallen leidt het tot minder uren sporten.
  • In 2016 vond een kwart van de Nederlanders (15-80 jaar) de kosten om te kunnen sporten bezwaarlijk, meer recente cijfers uit de Sportersmonitor 2018 van NOC*NSF laten zien dat dit gestegen is naar 1 op de 3. Vrouwen, jongeren, laagopgeleiden en niet-sporters hebben meer moeite met de prijs. Als sporten goedkoper zou zijn, zegt 37% van de bevolking vaker te gaan sporten. Dit geldt vooral voor jongeren, lees je in dit artikel. Of dit echt zo is, valt volgens de onderzoekers te bezien.
  • Over het algemeen zijn leden van fitnesscentra minder bereid meer te betalen dan verenigingsleden. De prijs van het huidige aanbod is voor beiden de belangrijkste reden om niet meer te willen betalen. Onder bepaalde omstandigheden (aanbieder wordt bijvoorbeeld geconfronteerd met hogere kosten en/of lagere inkomsten) blijkt er echter wel bereidheid om dieper in de buidel te tasten.

De onderzoekers pleiten er dan ook voor om contributieverhoging in ieder geval vaker ter overweging te nemen en na te denken over een gedifferentieerd prijsbeleid. Daarnaast zien zij kansen in ‘sportcheques’ die de betrokkene naar wens aan een bepaalde sport kan uitgeven. Het Jeugdsportfonds biedt uitkomst voor kinderen uit gezinnen waar sport een te hoge kostenpost is. In Nederland groeien 1 op de 8 kinderen op in armoede. In 2016 konden 49.466 van die kinderen door het Jeugdsportfonds toch sporten.

Het perspectief gemeenten

Met hun sportbeleid willen gemeenten met name de gezondheid bevorderen en mensen meer in beweging brengen, blijkt uit de monitor lokaal sportbeleid. Bij deze doelen zie je een verschuiving naar de meer preventieve en curatieve waarde van sport, maar bij de inhoud van het beleid komen vooral nog de sportaccommodaties en sportstimulering terug. Sport kan financieel worden ondersteund op verschillende manieren, direct (subsidies aan verenigingen, activiteiten en sporters) of indirect, waarbij vooral de sportaccommodaties een belangrijke rol spelen. Nieuwe(re) of alternatieve financieringsvormen voor de sport komen nog onvoldoende van de grond, lees je in dit artikel.

Een groot deel van de gemeentelijke sportbudgetten (85 tot 90 procent) wordt ingezet voor de totstandkoming en het onderhoud van accommodaties. De sporters of verenigingen die daar gebruik van maken betalen (tarieven) vaak maar een fractie van de daadwerkelijke kosten. Tegelijkertijd kan een verhoging van zo’n tarief wel gevolgen hebben voor bijvoorbeeld een vereniging, waardoor die wellicht genoodzaakt is om de contributiehoogte aan te passen, met weer gevolgen voor de sporter en de sportparticipatie (eveneens een doel in het gemeentelijk sportbeleid). En dan is er ook nog allerlei wet- en regelgeving om rekening mee te houden in het opstellen en uitvoeren van (sport)beleid.

Uit de monitor sportuitgaven gemeenten blijkt dat gemeenten in 2015 netto € 1,2 miljard uitgaven aan sport, per inwoner komt dit neer op gemiddeld € 64,90. Voor het eerst constateren de onderzoekers een afname in deze uitgaven. Ondanks deze daling is de ontwikkeling in de afgelopen jaren wel positief. Gemeenten hebben bezuinigd, maar het sportaandeel in de totale uitgaven is (licht) toegenomen en binnen vrijetijdsuitgaven groeit sport constant. Dit is gunstig voor de sport, echter de uitgaven groeien niet mee met de bevolking en de inflatie. Dit geeft druk op het budget en zorgt ervoor dat het lokaal sportbeleid te maken heeft met een roep om meer effectiviteit en doelmatigheid.

Het perspectief van verenigingen

Verenigingen lijken van de buitenkant misschien robuuster dan zij zelf ervaren. Na een jarenlange verslechtering van de financiële situatie bij sportorganisaties ziet Stichting Waarborgfonds Sport in 2017 een stabilisatie. En uit de monitor van NL Penningmeester blijkt in 2016 dat 30% van de penningmeesters zich zorgen maakt over de financiële positie van hun club, ten opzichte van 35% in 2015. Eenzelfde percentage volgt uit het Verenigingspanel van het Mulier Instituut. De verenigingen die zich zorgen maken zijn over het algemeen klein, betreffen de zaalsporten en hebben geen eigen accommodatie. Deze clubs zien vaak, ondanks (of dankzij?!) een contributieverhoging, de inkomsten uit contributies teruglopen en ook gemeentelijke bijdrage(n), sponsoring en kantinebestedingen nemen af. Geldwervingsacties (zoals de Grote Clubactie) worden voor deze clubs steeds belangrijker. Contributie blijft echter de belangrijkste inkomstenbron.

Een aantal van deze contributies (atletiek, handbal, hockey, tennis, voetbal en volleybal) zijn recent in kaart gebracht door de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en het Mulier Instituut.

  • Hockey kent de hoogste contributie, met gemiddeld 281 euro voor volwassenen en 255 voor jeugd
  • Gevolgd door handbal (243 euro voor volwassen en 185 euro voor jeugd).
  • Tennis, met gemiddeld 139 euro voor volwassen en 78 euro voor jeugd, komt als laagste naar voren, echter hierin zitten geen trainingskosten verwerkt.
  • In krimp- en anticipeergebieden betalen leden een lagere contributie dan elders en in de stad betaalt de sporter zelfs ongeveer 30% meer dan op het platteland.
  • Ook is gekeken naar entreegelden van zwembaden en ijsbanen. Voor een bezoek aan het zwembad is een volwassene gemiddeld 5 euro kwijt, een aantal rondjes schaatsen kost gemiddeld 7 euro.

Toekomst?

Het betaalbaar houden van sport blijft een uitdaging voor de diverse stakeholders. Met de aangehaalde rapporten krijgen we wat meer zicht op dit thema en de diverse andere financiële aspecten van sport. Dit kan handig zijn ter ondersteuning bij het vormgeven, monitoren en evalueren van (sport)beleid. Er is echter op onderzoeksgebied nog wel wat te wensen. Hoekman et al. riepen in 2013 al om meer en doorontwikkeling van monitoring, wetenschappelijke verdieping, beleidsgericht onderzoek (quickscans, best practices en case studies) en het opzetten en onderhouden van een sporteconomisch platform. Dit blijkt nu nog actueel te zijn!

Lees ook het artikel Sport doorstaat recessie van Hugo van der Poel, directeur van het Mulier Instituut, in Sport & Strategie.

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.