Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Feiten en cijfers over het aantal mensen met een beperking

Feiten & cijfers

Geplaatst op 22 december 2015

Als we het hebben over mensen met een beperking wordt al gauw gedacht dat het om een kleine groep gaat. Niets is minder waar: In Nederland hebben ruim 1,7 miljoen kinderen en volwassenen een matige of ernstige beperking. Dit betekent 1 op de 10 Nederlanders! Daarnaast is een grote groep mensen (ongeveer 3,6 miljoen) in mindere mate beperkt.

Mensen met een vooral matige of ernstige beperking sporten en bewegen minder vaak dan mensen zonder beperking. Zij moeten vaak letterlijk en figuurlijk drempels overwinnen.

Maar wie behoren er nu precies tot de groep van mensen met een beperking? Hoe is de samenstelling van deze groep en wat zijn opvallende verschillen als je kijkt naar soorten beperkingen, geslacht of leeftijd?

In dit artikel de meest actuele cijfers over mensen met een lichamelijke beperking, mensen met een verstandelijke beperking en kinderen met een beperking.

Definitieprobleem

Het exacte aantal mensen met een beperking is lastig vast te stellen. Dat komt deels omdat er verschillende definities worden gebruikt. Bovendien bestaat er geen centrale registratie van mensen met een beperking in al hun verscheidenheid. De cijfers blijven daarmee schattingen. Dat is ook een verklaring waarom verschillende onderzoeken vaak uiteenlopende cijfers laten zien.

Indeling in beperkingen

In onderstaand figuur wordt een veel gebruikte indeling van beperkingen gepresenteerd. Een omschrijving van de verschillende beperkingen is verder in het artikel te vinden.

Bron: (On)beperkt Sportief 2013
Bron: (On)beperkt Sportief 2013. Klik op afbeelding voor grotere weergave

 

 

 

 

 

 

Omschrijving beperkingen

  • Motorische beperking. Beperking in bewegen als gevolg van een ongeluk, ziekte of aangeboren afwijking, bijvoorbeeld door een amputatie, dwarslaesie of spasme. Mensen met een motorische beperking kunnen gebruik maken van een rolstoel of andere mobiliteitshulpmiddelen, zoals een rollator, looprekje of wandelstok.
  • Organische beperking (chronische aandoening). Een langdurige, ernstige aandoening zonder kans op herstel. Bijvoorbeeld diabetes, hart- en vaatziekten, kanker, reuma, astma en artrose.
  • Visuele beperking. Blind of slechtziend.
  • Auditieve beperking. Doof of slechthorend.
  • Verstandelijke beperking. Beperking van intelligentie (IQ <70) en aanpassingsgedrag (bijvoorbeeld taal, lezen, volgen van regels, aankleden) die voor het achttiende levensjaar is ontstaan. Bijvoorbeeld mensen met het syndroom van Down.
  • Psychosociale beperking. Emotionele problemen, gedragsproblemen en/of sociale problemen, waardoor mensen niet meer optimaal kunnen functioneren in het dagelijks leven. Bijvoorbeeld mensen met een psychotische stoornis, autisme, ernstige depressie of persoonlijkheidsstoornis.

Zelfstandig wonende mensen met een beperking en instellingsbewoners

Een gedeelte van de mensen met een beperking woont (begeleid) zelfstandig en er zijn mensen met een beperking die in een zorginstelling verblijven. De cijfers die worden gepresenteerd, betreffen zelfstandig wonende mensen met een beperking. Onder het kopje ‘Mensen met een beperking in zorginstellingen’ wordt het aantal bewoners met een beperking woonachtig in zorginstellingen weergegeven.

Matige tot ernstige beperking

Nederland telt 1,6 miljoen mensen in de leeftijd van 12-79 jaar met een matige of ernstige lichamelijke beperking. Naar schatting hebben 142.000 mensen een verstandelijke beperking waarvan ongeveer 68.000 mensen een matige of ernstige verstandelijke beperking hebben. Ongeveer 67.000 kinderen maken vanwege de aard van hun beperking of stoornis gebruik van het speciaal onderwijs (schooljaar 2016/2017). Alles bij elkaar opgeteld hebben ruim 1,7 miljoen kinderen en volwassenen een matige of ernstige lichamelijke of verstandelijke beperking.

Daarnaast zijn er naar schatting 2 miljoen mensen met een psychische stoornis waarvan 281.000 mensen met een ernstige psychische aandoening. De Nederlandse bevolking telt 8,2 miljoen mensen met een chronische aandoening. Hiervan heeft 5,3 miljoen mensen in 2014 tenminste eenmaal contact hadden met hun huisarts.

Voor alle duidelijkheid: om het totaal aantal mensen met welke beperking dan ook te schatten, mogen de aantallen hierboven niet bij elkaar opgeteld worden.

Lichamelijke beperking

Van de Nederlandse bevolking van 12-79 jaar heeft 20% een motorische beperking, 19% een visuele beperking en 14% een auditieve beperking. Dit komt neer op respectievelijk 2,7 miljoen, 2,6 miljoen en 1,9 miljoen mensen (zie tabel 2). Om het totaal aantal mensen met een lichamelijke beperking te schatten, mogen deze aantallen niet zomaar worden opgeteld. Er zijn namelijk mensen die een combinatie van beperkingen hebben en deze worden verschillende keren in de afzonderlijke tellingen meegenomen. Als alle mensen met een lichamelijke beperking op minimaal één van de gebieden (motorisch, visueel of auditief) worden samen genomen, dan heeft 38% van de Nederlandse bevolking van 12-79 jaar een lichamelijke beperking. Omgerekend betekent dit ongeveer 5,2 miljoen mensen. Het merendeel heeft echter een lichte lichamelijke beperking (26% van de bevolking: 3,6 miljoen mensen). Twaalf procent van de bevolking (1,6 miljoen mensen) heeft een matige of ernstige lichamelijke beperking.

Tabel 1: Percentage en aantal mensen (x 1.000) van 12-79 jaar in Nederland met een beperking naar soort en mate van de beperking (2011)

Totaal Licht Matig Ernstig
Beperking % Aantal % Aantal % Aantal % Aantal
Motorisch 20 2.749 13 1.836 3 394 3 472
Visueel 19 2.611 14 1.911 2 280 3 446
Auditief 14 1.924 12 1.600 2 232 1 119

Het aantal mensen met een motorische beperking neemt toe met het stijgen van de leeftijd. Daardoor zijn er in verhouding in de oudere leeftijdsgroepen meer mensen met een matige of ernstige beperking (zie onderstaand figuur). Hetzelfde geldt voor visuele en auditieve beperkingen (niet weergegeven in de figuur).

Bron: CBS Gezondheidsenquête, 2008-2011 (zelfstandig wonende mensen met een beperking) in (On)beperkt Sportief 2013

Verstandelijke beperking

jongen websiteHoeveel mensen in Nederland een verstandelijke beperking hebben, is niet precies aan te geven. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) schat dat in Nederland 8.5‰ (4.4‰ voor een lichte en 4.1‰ voor een matig/ernstig verstandelijke beperking) van de inwoners (jeugd en volwassenen) een verstandelijke beperking heeft . Dat komt neer op ongeveer 142.000 personen in 2013. Hiervan hebben er 74.000 mensen een lichte (IQ: 50-69) en 68.000 een matig/ernstige (IQ <50)verstandelijke beperking (zie onderstaande tabel).

De groep mensen met een IQ tussen de 70 en 85 wordt zwakbegaafd genoemd. Hoeveel mensen zwakbegaafd zijn is onbekend, maar wordt geschat op 2,2 miljoen. Zwakbegaafden behoren officieel niet tot de groep mensen met een verstandelijke beperking. Een gedeelte van deze groep komt vanwege de aard van hun problemen ook in aanmerking voor gebruik van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Het SCP schat dat dit 1.4 miljoen mensen zijn.

Hoe complexer de samenleving is, hoe groter de kans dat mensen problemen ervaren met sociale zelfredzaamheid. Onze samenleving wordt steeds complexer. De verwachting is dan ook dat het aantal mensen met een ondersteuningsbehoefte in de komende jaren zal toenemen.

Tabel 2: Promillage en geschat aantal mensen in Nederland met een verstandelijke beperking naar mate van de beperking

Verstandelijke beperking 0/00 Geschat aantal
Licht (IQ 50-69) 4.4 74.000
Matig/ernstig (IQ <50) 4.1 68.000
Totaal 8.5 142.000

Bron: Woittiez e.a, 2014 overgenomen uit (On)beperkt Sportief 2013

Specifieke groepen mensen met een beperking

Ernstig meervoudige beperking

Ongeveer 10.000 mensen in Nederland hebben een ernstige meervoudige beperking (EMB). Dit houdt in dat zij een complexe combinatie van ernstige verstandelijke, motorische en zintuiglijke beperkingen hebben. Het overgrote deel van deze mensen (8.500) verblijft in een woonvoorziening en ontvangt daar de benodigde zorg.

Niet-aangeboren hersenletsel (NAH)

Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) is schade aan hersenen die in de loop van het leven is ontstaan. Deze schade is veroorzaakt door traumatisch hersenletsel of niet-traumatisch hersenletsel. Bij traumatisch hersenletsel ligt de oorzaak buiten het lichaam ligt. Denk hierbij aan een verkeersongeluk of val van de trap. Niet-traumatisch hersenletsel ontstaat door een proces in het lichaam. Voorbeelden hiervan zijn een herseninfarct, hersenbloeding of tumor.

Bij de huisarts waren in 2016 645.900 mensen geregistreerd die een of andere vorm van hersenletsel (NAH) hadden opgelopen.

Mensen met een beperking wonend in zorginstellingen

Bij de voorgaande cijfers zijn, met uitzondering van mensen met een ernstige meervoudige beperking, mensen met een beperking die langdurig in een zorginstelling verblijven niet meegenomen. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland vertegenwoordigt 165 zorgaanbieders die zorg leveren aan ongeveer 200.000 mensen met een beperking. Hiervan ontvangen in 2016 87.650 personen zorg met verblijf (intramurale zorg) vanuit de Wet langdurige zorg of de Jeugdwet.

Tabel 3: Aantal cliënten intramurale zorg (juli 2016)

Intramurale zorg Totaal
(licht) verstandelijke beperking 75.750
zintuiglijke beperking 2.400
lichamelijke beperking 9.500
Totaal aantal unieke cliënten 87.650

Bron: VGN feiten en cijfers

Kinderen met een beperking

Geschat wordt dat er in Nederland tussen de 109.000 en 129.000 kinderen met een handicap (exclusief psychiatrie) wonen. Dit is ongeveer 3,5% van alle kinderen van 0 tot en met 17 jaar. Ongeveer 68.000 kinderen hadden in 2012 een handicap waarvoor specialistische zorg of voorzieningen nodig waren. Het gaat dan om bijna 2% van alle kinderen tussen de 0 en 18 jaar. In onderstaande tabel zijn de aantallen en percentages van deze groep opgenomen. Een gedeelte van deze kinderen maakt gebruik van het speciaal onderwijs, maar dat geldt niet voor alle kinderen.

Tabel 4: Percentage en aantal kinderen van 0-18 jaar in Nederland met een beperking (2012)

Beperking % Aantal
Motorisch 0.4 13.379
Visueel/auditief 0.3 9.176
Verstandelijk 1.1 39.169
Meervoudig 0.2 6.564
Totaal beperkingen 2.0 68.288

Bron: Kinderen met een handicap in Tel (databoek), 2013.

Uit de rapportage Kinderen met een handicap in tel uit 2013 blijkt dat ruim 90% van de kinderen een enkelvoudige handicap heeft. De meest voorkomende handicap is een verstandelijke handicap (57.4%). Bijna 20% (19,6%) heeft een lichamelijke handicap en 13,4% een zintuiglijke handicap. Bij 9,6% van de kinderen is er sprake van een meervoudige handicap. Dit is vooral een combinatie van een verstandelijke en lichamelijke handicap.

Meer jongens dan meisjes hebben een handicap. In totaal is bijna 62% van de kinderen met een handicap een jongen.

Bron: Kinderen met een handicap in Tel, 2013.

De oorzaak hiervan is niet bekend. Er zijn wel verschillen tussen de beperkingen zichtbaar. Zo is de verdeling jongens en meisjes bij kinderen met een zintuiglijke handicap het meest verdeeld (64% jongens en 34% meisjes). Bij een lichamelijke handicap is de verdeling het meest gelijk (56% jongens en 44% meisjes). 63% van de kinderen met een verstandelijke beperking is een jongen en 37% een meisje.

Naarmate de leeftijd vordert verschuift de verhouding jongens-meisjes langzaam naar een meer gelijke verdeling tussen jongens en meisjes.

Psychiatrische stoornis

De cijfers uit bovenstaande paragraaf komen uit de rapportage Kinderen met een handicap in tel. Hierin zijn kinderen met een psychiatrische stoornis niet meegenomen. Helaas is er geen eenduidig antwoord te geven op de vraag hoeveel kinderen een dergelijke stoornis hebben. De prevalentiecijfers zoals opgenomen in het handboek Kinder- en Jeugdpsychiatrie (2014) variëren, afhankelijk van de definitie van de stoornis, tussen de 8% en 24%.

Bij kinderen en jongeren komen de volgende problemen het meest voor: depressie en angst, ADHD, eetstoornissen of een stoornis in het autistisch spectrum (ASS). Voor meer informatie en cijfers verwijzen we naar de website van het NJi (kopje jeugdthema’s).

Kinderen in het speciaal onderwijs

Speciaal onderwijs is onderwijs voor kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking, langdurige ziekte of stoornis. Deze kinderen krijgen in het speciaal onderwijs meer aandacht en ondersteuning dan in het reguliere onderwijs. Het speciaal onderwijs is verdeeld in vier clusters.

Leerlingen in het speciaal onderwijs (SO, 6-12 jaar) gaan meestal na hun twaalfde jaar naar het voortgezet speciaal onderwijs (VSO). Hier kunnen ze blijven tot hun twintigste verjaardag. Het VSO kent dezelfde clusters.

Naast het hierboven beschreven speciaal onderwijs is er het speciaal basisonderwijs. Dit is bedoeld voor moeilijk lerende kinderen, kinderen met opvoedingsmoeilijkheden en alle andere kinderen die speciale ondersteuning en aandacht nodig hebben. Deze scholen hebben dezelfde kerndoelen als reguliere basisscholen, maar de leerlingen krijgen meer tijd om dit te bereiken. De scholen hebben kleinere groepen en meer deskundigen.

Leerlingen kunnen tot hun veertiende jaar op een school voor speciaal basisonderwijs terecht. Na het speciaal basisonderwijs gaan leerlingen naar het vmbo, het praktijkonderwijs of het VSO. Binnen het vmbo kunnen leerlingen in aanmerking komen voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo). Dit is bedoeld voor vmbo-leerlingen die genoeg capaciteiten hebben om een diploma te halen, maar extra hulp nodig hebben. Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen die naar verwachting geen vmbo-diploma kunnen halen. Praktijkonderwijs leidt deze leerlingen op voor de arbeidsmarkt.

Passend onderwijs

Sinds 1 augustus 2014 is de Wet passend onderwijs ingevoerd. Doel van deze wet is het verbeteren van de onderwijskwaliteit en de ondersteuning aan kinderen. Elk kind verdient een zo passend mogelijke plek in het onderwijs en recht doet aan de mogelijkheden van een kind, maar ook rekening houdt met beperkingen.

Om dit te realiseren, hebben scholen regionale samenwerkingsverbanden opgericht. In totaal zijn er ruim 150 samenwerkingsverbanden. Hierin werken regulier en speciaal onderwijs (cluster 3 en 4) met elkaar samen en maken afspraken over de begeleiding en ondersteuning die geboden kan worden. Het samenwerkingsverband maakt ook afspraken met gemeenten over de inzet en afstemming met jeugdhulp. Het speciaal onderwijs blijft bestaan voor kinderen die daar het best op hun plek zijn.

Cijfers

Door de invoering van de Wet passend onderwijs zijn er geen cijfers (meer) beschikbaar alle afzonderlijke clusters. In het schooljaar 2016/2017 bezochten ruim 67.000 leerlingen het speciaal onderwijs. Meer jongens dan meisjes maken gebruik van het speciaal onderwijs. Het aandeel jongens is bijna 73% en ruim 27% van de leerlingen is een meisje.

Het speciaal basisonderwijs telt ongeveer 34.000 leerlingen. In onderstaande tabel zijn de meest actuele cijfers van leerlingenaantallen opgenomen.

Tabel 5: Cijfers leerlingenaantallen 2016/2017 naar onderwijstype

Type onderwijs Aantal leerlingen 2016/2017
Speciaal onderwijs
Cluster 1 246
Cluster 2 5.841
Cluster 3 & 4 23.051
Totaal 29.138
Voortgezet speciaal onderwijs
Cluster 1 354
Cluster 2 2.214
Cluster 3 & 4 35.345
Totaal 37.913
Speciaal basisonderwijs 33.917

Bron: Cijfers SO en VSO, CBS Statline, Speciaal basisonderwijs: DUO 1 cijfer PO, 2016

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.