Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Feiten en cijfers over het aantal mensen met een beperking

Feiten & cijfers

Als we het hebben over mensen met een beperking wordt al gauw gedacht dat het om een kleine groep gaat. Niets is minder waar: In Nederland hebben ruim 1,7 miljoen kinderen en volwassenen een matige of ernstige beperking. Dit betekent 1 op de 10 Nederlanders! Mensen met een beperking sporten en bewegen minder vaak dan mensen zonder beperking. Zij moeten vaak letterlijk en figuurlijk drempels overwinnen. Maar wie behoren er nu precies tot de groep van mensen met een beperking? Hoe is de samenstelling van deze groep en wat zijn opvallende verschillen als je kijkt naar soorten beperkingen, geslacht of leeftijd?

Definitieprobleem

Het exacte aantal mensen met een beperking is lastig vast te stellen. Dat komt deels omdat er verschillende definities worden gebruikt. Bovendien bestaat er geen centrale registratie van mensen met een beperking in al hun verscheidenheid. De cijfers blijven daarmee schattingen. Dat is ook een verklaring waarom verschillende onderzoeken vaak uiteenlopende cijfers laten zien.

Indeling in beperkingen

In onderstaand figuur wordt een veel gebruikte indeling van beperkingen gepresenteerd. Een omschrijving van de verschillende beperkingen is verder in het artikel te vinden.

Bron: (On)beperkt Sportief 2013
Bron: (On)beperkt Sportief 2013. Klik op afbeelding voor grotere weergave

 

 

 

 

 

 

Omschrijving beperkingen

  • Motorische beperking. Beperking in bewegen als gevolg van een ongeluk, ziekte of aangeboren afwijking, bijvoorbeeld door een amputatie, dwarslaesie of spasme. Mensen met een motorische beperking kunnen gebruik maken van een rolstoel of andere mobiliteitshulpmiddelen, zoals een rollator, looprekje of wandelstok.
  • Organische beperking (chronische aandoening). Een langdurige, ernstige aandoening zonder kans op herstel. Bijvoorbeeld diabetes, hart- en vaatziekten, kanker, reuma, astma en artrose.
  • Visuele beperking. Blind of slechtziend.
  • Auditieve beperking. Doof of slechthorend.
  • Verstandelijke beperking. Beperking van intelligentie (IQ <70) en aanpassingsgedrag (bijvoorbeeld taal, lezen, volgen van regels, aankleden) die voor het achttiende levensjaar is ontstaan. Bijvoorbeeld mensen met het syndroom van Down.
  • Psychosociale beperking. Emotionele problemen, gedragsproblemen en/of sociale problemen, waardoor mensen niet meer optimaal kunnen functioneren in het dagelijks leven. Bijvoorbeeld mensen met agressief gedrag, ADHD en depressieve gevoelens.

Zelfstandig wonende mensen met een beperking en instellingsbewoners

Er zijn mensen met een beperking die (begeleid) zelfstandig wonen en mensen met een beperking die verblijven in een zorginstelling. De cijfers die worden gepresenteerd betreffen zelfstandig wonende mensen met een beperking. Onder het kopje ‘Mensen met een beperking in zorginstellingen’ wordt het aantal instellingsbewoners met een beperking gepresenteerd.

Matige tot ernstige beperking

Nederland telt 1,6 miljoen mensen in de leeftijd van 12-79 jaar met een matige of ernstige lichamelijke beperking. Naar schatting hebben 142.000 mensen een verstandelijke beperking waarvan ongeveer 68.000 mensen een matige of ernstige verstandelijke beperking hebben. Ongeveer 70.000 kinderen maken vanwege de aard van hun beperking of stoornis gebruik van het speciaal onderwijs. Alles bij elkaar opgeteld hebben ruim 1,7 miljoen kinderen en volwassenen een matige of ernstige lichamelijke of verstandelijke beperking. Daarnaast zijn er ongeveer 160.000 mensen met een psychosociale aandoening en telt de Nederlandse bevolking 5,3 miljoen mensen met een chronische aandoening. Deze laatste groepen worden hier (behalve bij de doelgroep ‘kinderen met een beperking’) buiten beschouwing gelaten.

Lichamelijke beperking

Van de Nederlandse bevolking van 12-79 jaar heeft 20% een motorische beperking, 19% een visuele beperking en 14% een auditieve beperking. Dit komt neer op respectievelijk 2,7 miljoen, 2,6 miljoen en 1,9 miljoen mensen (zie tabel 2). Om het totaal aantal mensen met een lichamelijke beperking te schatten, mogen deze aantallen niet zomaar worden opgeteld. Er zijn namelijk mensen die een combinatie van beperkingen hebben en deze worden verschillende keren in de afzonderlijke tellingen meegenomen. Als alle mensen met een lichamelijke beperking op minimaal één van de gebieden (motorisch, visueel of auditief) worden samen genomen, dan heeft 38% van de Nederlandse bevolking van 12-79 jaar een lichamelijke beperking. Omgerekend betekent dit ongeveer 5,2 miljoen mensen. Het merendeel heeft echter een lichte lichamelijke beperking (26% van de bevolking: 3,6 miljoen mensen). Twaalf procent van de bevolking (1,6 miljoen mensen) heeft een matige of ernstige lichamelijke beperking.

Percentage en aantal mensen (x 1.000) van 12-79 jaar in Nederland met een beperking naar soort en mate van de beperking (2011)

tabel1
Bron: CBS Gezondheidsenquête, 2008-2011 (zelfstandig wonende mensen met een beperking) in (On)beperkt Sportief 2013.

Het aantal mensen met een motorische beperking neemt toe met het stijgen van de leeftijd. Daardoor zijn er in verhouding in de oudere leeftijdsgroepen meer mensen met een matige of ernstige beperking (zie onderstaand figuur). Hetzelfde geldt voor visuele en auditieve beperkingen (niet weergegeven in de figuur).

Bron: CBS Gezondheidsenquête, 2008-2011 (zelfstandig wonende mensen met een beperking) in (On)beperkt Sportief 2013

Verstandelijke beperking

jongen websiteHoeveel mensen in Nederland een verstandelijke beperking hebben, is niet precies aan te geven. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) schat dat in Nederland 8.5‰ (4.4‰ voor een lichte en 4.1‰ voor een matig/ernstig verstandelijke beperking) van de inwoners (jeugd en volwassenen) een verstandelijke beperking heeft . Dat komt neer op ongeveer 142.000 personen in 2013. Hiervan hebben er 74.000 mensen een lichte (IQ: 50-69) en 68.000 een matig/ernstige (IQ <50)verstandelijke beperking (zie onderstaande tabel).

De groep mensen met een IQ tussen de 70 en 85 wordt zwakbegaafd genoemd. Zwakbegaafden behoren officieel niet tot de groep mensen met een verstandelijke beperking. Een gedeelte van deze groep heeft echter bijkomende problemen. Het SCP schat het aantal zwakbegaafden met bijkomende problemen in de Nederlandse bevolking op 1,4 miljoen in 2013.

Promillage en geschat aantal mensen in Nederland met een verstandelijke beperking naar mate van de beperking

tabel2

 

 

 


Bron: Woittiez e.a, 2014.

Mensen met een beperking wonend in zorginstellingen

Bij de voorgaande cijfers zijn mensen met een beperking die in een zorginstelling verblijven niet meegenomen. Volgens de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland maakten in 2011 186.941 mensen met een beperking gebruik van gehandicaptenzorg (zie onderstaande tabel). Hiervan ontvingen 112.113 cliënten de zorg thuis (extramurale zorg). De overige 74.828 cliënten woonden in een zorginstelling. Het merendeel daarvan had een verstandelijke beperking.

Aantal cliënten gehandicaptenzorg naar deelsector en soort zorg (2011)

tabel3

Bron: (On)beperkt Sportief 2013

Kinderen met een beperking

In 2012 had 2% van de kinderen in de leeftijd van 0-17 jaar een lichamelijke en/of verstandelijke beperking. Hierbij gaat het om ruim 68.000 kinderen in Nederland (zie tabel 5). Als er een onderscheid gemaakt wordt naar soorten beperkingen dan heeft 0,4% van de kinderen in Nederland een motorische beperking (13.379 kinderen), 0,3% een visuele of auditieve beperking (9.176 kinderen), 1,1% een verstandelijke beperking (39.169 kinderen) en 0,2% een meervoudige beperking (6.564 kinderen).

Tabel 5: Percentage en aantal kinderen van 0-17 jaar in Nederland met een beperking (2012)

Bron: Kinderen met een handicap in Tel, 2013.
Klik op afbeelding voor grotere weergave.

Bron: Kinderen met een handicap in Tel, 2013.

Van het totaal aantal kinderen met een beperking is bijna twee derde (62%) een jongen. Ook als gekeken wordt naar de verschillende soorten beperkingen is het merendeel steeds jongen.

Bron: Kinderen met een handicap in Tel, 2013.

Kinderen in het speciaal onderwijs

Speciaal onderwijs is onderwijs voor kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking, langdurige ziekte of stoornis. Deze kinderen krijgen in het speciaal onderwijs meer aandacht en ondersteuning dan in het reguliere onderwijs. Het speciaal onderwijs is verdeeld in vier clusters (zie tabel 6).

Leerlingen in het speciaal onderwijs (SO, 6-12 jaar) gaan meestal na hun twaalfde jaar naar het voortgezet speciaal onderwijs (VSO). Hier kunnen ze blijven tot hun twintigste verjaardag. Het VSO kent dezelfde clusters. Naast het speciaal onderwijs is er het speciaal basisonderwijs. Dit is bedoeld voor moeilijk lerende kinderen, kinderen met opvoedingsmoeilijkheden en alle andere kinderen die speciale ondersteuning en aandacht nodig hebben. Deze scholen hebben dezelfde kerndoelen als reguliere basisscholen, maar de leerlingen krijgen meer tijd om dit te bereiken. De scholen hebben kleinere groepen en meer deskundigen.

Leerlingen kunnen tot hun veertiende jaar op een school voor speciaal basisonderwijs terecht. Na het speciaal basisonderwijs gaan leerlingen naar het vmbo, het praktijkonderwijs of het VSO. Binnen het vmbo kunnen leerlingen in aanmerking komen voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo). Dit is bedoeld voor vmbo-leerlingen die genoeg capaciteiten hebben om een diploma te halen, maar extra hulp nodig hebben. Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen die naar verwachting geen vmbo-diploma kunnen halen. Praktijkonderwijs leidt deze leerlingen op voor de arbeidsmarkt.

Bron: Kerncijfers 2009-2013, OC&W.
Bron: Kerncijfers 2009-2013, OC&W.

In 2013 bezochten in totaal 71.200 leerlingen het speciaal (voortgezet) onderwijs (zie tabel 7). Er waren 700 leerlingen die een cluster 1-school bezochten, 9.200 een cluster 2-school, 26.500 een cluster 3-school en 34.800 een cluster 4-school. In het speciaal basisonderwijs ging het om 38.100 leerlingen. Omdat de leeftijden en definities anders zijn, komen deze cijfers niet één op één overeen met de cijfers over kinderen met een beperking.

Verder waren er in totaal 38.200 leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs en voortgezet onderwijs met leerlinggebonden financiering (lgf of het zogenaamde ‘rugzakje’). Lgf is een budget dat de school ontvangt voor leerlingen met een beperking, ernstige gedragsstoornis of psychisch probleem. De school gebruikt de lgf voor extra begeleiding en aangepast lesmateriaal, zodat de leerlingen zo veel mogelijk in het reguliere onderwijs kunnen blijven.

 

 

 

 

 

 

 

Lees meer

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.