Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

ASE-model: van attitude, sociale invloed en eigen-effectiviteit naar intentie tot gedrag

Artikel

Geplaatst op 21 december 2015

Gedrag veranderen is een lastig concept. We proberen dit begrijpelijker en tastbaarder te maken door het gebruik van modellen. Een veelgebruikt gedragsmodel is het ASE-model. Maar wat houdt dit model eigenlijk in?

Het ASE-model

Het ASE-model (De Vries, 1988) is gebaseerd op de Theory of Planned Behavior (Ajzen, 1985) en de Social Learning Theory (Bandura, 1986). Dit model gaat ervan uit dat intentie om bepaald gedrag te vertonen, leidt tot het daadwerkelijk uitvoeren van dat gedrag.Afbeelding: ASE-model (Sassen, 2004)

Van intentie naar gedrag

De ‘intentie tot gedrag hebben’, betekent dat we van plan zijn ons op een bepaalde (nieuwe) manier te gaan gedragen. We willen bijvoorbeeld meer gaan bewegen, vaker naar de sportschool gaan of gezonder gaan eten. Zitten er voldoende positieve aspecten aan het gedrag (‘het is leuk’), dan krijgen mensen de intentie om het gedrag te vertonen. Maar als we ons hebben voorgenomen om meer te gaan sporten, kan er van alles gebeuren waardoor het uiteindelijk toch niet lukt. Soms zijn er te veel drempels (in het model barrières genoemd) die ons tegenwerken. Of het ontbreekt ons aan de vaardigheden waardoor het niet lukt om het gedrag uit te voeren.

Intentie is sterk gerelateerd aan motivatie. Lees hier meer over motivatie en hoe dit kan leiden tot actie!

Vaardigheden en barrières

Een duidelijk voorbeeld van een gebrek aan vaardigheden is een ouder iemand die dagelijks een uur zou willen wandelen, maar daartoe fysiek niet in staat is. Het is ook mogelijk dat iemand niet goed kan plannen op een drukke dag, zodat er geen tijd overblijft voor sport. Of misschien stelt hij zichzelf doelen die helemaal niet haalbaar zijn. Het hebben van vaardigheden om het uiteindelijke gedrag uit te voeren zijn dus enorm van belang. Heb je deze niet (voldoende), dan kan je intentie om meer te bewegen er zeker zijn, maar lukt het niet om het ook daadwerkelijk te doen.

Daarnaast kunnen er ook nog allerlei andere barrières zijn: de sport die iemand wil doen wordt niet aangeboden in de buurt, of er ligt een drukke weg tussen de speeltuin en het woonhuis van een jong kind waardoor het er niet zelfstandig kan komen. Deze barrières zorgen ervoor dat mensen dat (nieuwe) gedrag er maar bij laten zitten. Intentie leidt hierdoor dus niet tot gedrag.

De intentie tot (nieuw) gedrag kan snel verdwijnen. Denk maar aan de goede voornemens die mensen altijd hebben en hoe het daar meestal mee afloopt. Een intentie om bepaald gedrag te vertonen komt niet zomaar. Dit wordt namelijk voor een groot gedeelte bepaald door de attitude, sociale invloed en eigen effectiviteit. Die leggen we een voor een uit.

Attitude

Om de intentie tot gedrag te hebben, moeten we allereerst een positieve attitude hebben ten aanzien van dat gedrag’. Met andere woorden, een positieve houding. Wat vind ik van sporten? En, wat vind ik ervan om vanaf nu meer te gaan bewegen? We kijken dan altijd naar wat dit gedrag ons zou kunnen opleveren (bewegen maakt mijn hoofd zo lekker leeg; ik wil mijn kind het goede voorbeeld geven). Ook kijken we naar de nadelen die het gedrag voor ons zou kunnen hebben (ik vind sporten helemaal niet leuk; ik heb een grote kans op blessures). Als sporten ons genoeg oplevert en we geen al te grote bezwaren zien, dan hebben we een zogenaamde ‘positieve attitude’ ten aanzien van sporten. Attitudes zijn redelijk stabiel, maar zorgen niet gelijk voor het gedrag. Heb je een positieve houding tegenover dagelijks voldoende bewegen, dan wil dit niet zeggen dat je dit ook doet.

Hoe komt een attitude tot stand? Dit gebeurd voornamelijk op basis van ervaringen. Heb je een positieve ervaring met het gedrag, werd je beloond, dan is de attitude vaak ook positief. Heb je een negatieve ervaring gehad, dan is je attitude ten opzichte van het gedrag waarschijnlijk ook negatief. Naast ervaringen, zijn attitudes ook gebaseerd op gewoonten en overtuigingen: beliefs. ‘Bewegen is gezond’, ‘sporten zorgt ervoor dat ik ontspan en meer plezier heb’. Je kan hierbij verschillende soorten beliefs hebben:

  • cognitieve beliefs: gerelateerd aan kennis (bewegen is gezond
  • affectieve beliefs: gerelateerd aan gevoel en emotie (bewegen is leuk)
  • conatieve beliefs: gerelateerd aan gedrag (bewegen is een gewoonte)

Welke belief hier het zwaarst weegt, verschilt per persoon.

Dus: de attitude is de houding ten opzichte van het gedrag en wordt bepaald door ervaringen en verschillende soorten beliefs ten opzichte van het gedrag.

Sociale invloed

Hoe we zelf tegen gedrag aankijken (attitude) is belangrijk, maar de mening van anderen speelt ook een rol. De sociale omgeving oefent op verschillende manieren invloed op ons uit:

  • Via een subjectieve norm: onze omgeving heeft een verwachting hoe we ons gedragen en we voldoen graag aan deze norm;
  • Via sociale steun: als we sociale steun ervaren is de kans groter dat we het gesteunde gedrag vertonen. Wordt het gedrag afgekeurd, denken we nog een tweede keer na of we dit gedrag in het vervolg weer vertonen;
  • Via sociale druk: het ervaren van druk zorgt er voor dat we soms iets doen wat we liever niet hadden gedaan. Verwachten vrienden dat je toch dat extra borrelhapje besteld? De kans is aanwezig dat je ondanks je goede voornemen, toch doet wat je vrienden verwachten.
  • Via modelling: het gedrag van rolmodellen (leraren, trainers, sporthelden) nemen we graag over, omdat we ze als een voorbeeld zien.

De invloed van de sociale omgeving wordt niet alleen bepaald door wat anderen écht vinden, maar ook door wat we dénken dat de omgeving vindt (normative beliefs). Hoe groot deze sociale invloed is, kan voor iedereen in elke situatie anders zijn, maar er zijn tal van sociale experimenten die laten zien dat de sociale omgeving invloed op ons uitoefent zonder dat we daar zelf bij stilstaan. Ook een groep onbekenden kan je gedrag beïnvloeden.

Geloof in eigen kunnen

Tot slot hebben we ook ‘eigen-effectiviteit’ nodig om het voorgenomen gedrag uit te voeren. Dit betekent dat we onszelf in staat moeten achten het gedrag uit te kunnen voeren. Hier gaat het niet om wat we daadwerkelijk kunnen (waar het bij ‘vaardigheden en barrières’ wel om ging), maar om wat we dénken te kunnen. Die twee zijn in de praktijk lang niet altijd hetzelfde. Eigen-effectiviteit kan hem zitten in zelfvertrouwen (het lukt me vast wel/niet om een uur lang te sporten in de sportschool), maar ook in praktische aspecten (ik heb wel/geen tijd, want ik moet werken en daarna voor de kinderen zorgen). Als we geloven in ons eigen kunnen, en dus voldoende eigen-effectiviteit hebben, is de kans groter dat we de intentie hebben om ons op een bepaalde manier te gedragen.

Vanuit de theorie van gepland gedrag zijn er bij eigen activiteit nog twee factoren te onderscheiden:

  • control beliefs: de mate waarin mensen denken zelf de capaciteiten en mogelijkheden te hebben om het gedrag uit te voeren (zoals kennis, vaardigheden).
  • power of control: de mate waarin de persoon deze factoren (zoals kennis en vaardigheden) denkt te kunnen beïnvloeden.

Externe variabelen

We hebben nu de drie grote factoren van invloed op intentie en gedrag besproken. Als je nog eens naar het model kijkt zie je ook ‘externe variabelen’ staan. Dat zijn dingen zoals je geslacht, leeftijd, opleiding, sociaal economische status en persoonskenmerken. Deze factoren hebben – indirect – ook invloed op jouw intenties en gedrag.

Gedrag is niet rationeel

Het ASE-model gaat sterk uit van rationele gedachten en houdt geen rekening met emotionele factoren die van invloed (kunnen) zijn op gedrag. Daarnaast houdt het ASE ook weinig rekening met (onbewust) gewoontegedrag, en laat dat nu zo bepalend en lastig zijn wanneer we ons gedrag willen veranderen. Om die redenen wordt het ASE-model ook wel bekritiseerd. Het ASE-model is later opgevolgd door het Integrated-change model, ook wel I-Change genoemd (De Vries, 2004). Het I-Change model geeft een breder overzicht van wat er allemaal bij bewuste gedragsverandering komt kijken. Hierin zijn alle onderdelen van het ASE-model terug te vinden.

Conclusie

De intentie om bepaald gedrag te gaan vertonen, hebben we alleen als we zelf positief tegen het gedrag aankijken (attitude). Daarnaast is het belangrijk dat onze sociale omgeving ons steunt in hoe we ons gedragen (sociale invloed), maar ook of we zelf denken dat we het gedrag kúnnen vertonen (eigen-effectiviteit). Een gebrek aan vaardigheden of de aanwezigheid van drempels (barrières) kan gedragsverandering juist verhinderen.

Lees ook:

Meer informatie over theorieën:

Bronnen:

Tips&Tricks

Die jou kunnen helpen gedrag te veranderen

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.