Het ASE-model
Het ASE-model (Attitude, Sociale invloed en Eigen-effectiviteit)[1-3], combineert ideeën uit verschillende bekende gedragsmodellen, zoals de Theory of Planned Behavior[4] en de Social Cognitive Theory[5]. Het model gaat ervan uit dat gedrag wordt bepaald door de intentie om bepaald (nieuw) gedrag uit te voeren, zoals vaker wandelen, naar de sportschool gaan of met de fiets naar het werk.
Volgens het ASE-model wordt de intentie gevormd door drie kernfactoren: attitude, sociale invloed en eigen-effectiviteit. Daarnaast spelen externe variabelen, barrières en vaardigheden die nodig zijn om het gedrag uit te voeren een rol.

Attitude
Attitude is de persoonlijke houding van iemand ten opzichte van bepaald gedrag. Volgens het ASE-model wordt die houding vooral bepaald door de verwachte voor- en nadelen van het gedrag. Oftewel, door de overtuigingen (beliefs) over wat het gedrag oplevert en hoe belangrijk iemand die gevolgen vindt.
Bewegen kan bijvoorbeeld energie geven, helpen het hoofd leeg te maken of plezier brengen. Tegelijkertijd kan bewegen ook veel tijd kosten, saai zijn of ongemak veroorzaken. Hoe positiever iemand de gevolgen inschat en waardeert, hoe groter de kans dat hij of zij de intentie krijgt om het gedrag te vertonen. De attitude wordt dus vooral gevormd door wat iemand denkt en vindt over bewegen. Attitudes zijn redelijk stabiel, maar kunnen in de loop van de tijd veranderen.
Leerervaringen spelen daarbij een rol: positieve ervaringen versterken de overtuigingen over de voordelen, negatieve ervaringen die over de nadelen. Heeft iemand bijvoorbeeld een positieve ervaring met die eerste keer sportschool, omdat hij of zij zich achteraf fitter voelde en de sociale interactie leuk vond? Dan is de attitude vaak ook positiever. Bij negatieve ervaringen is de attitude eerder negatief.
Sociale invloed
Naast iemands persoonlijke houding wordt in het ASE-model ook de sociale invloed gezien als een belangrijke bepaler van de intentie. Deze invloed bestaat vooral uit wat iemand denkt dat anderen vinden (subjectieve norm), de druk die daaruit ontstaat (sociale druk) en de ervaren steun uit de omgeving (sociale steun).
- Subjectieve norm: mensen willen vaak voldoen aan wat hun omgeving belangrijk vindt. Dit wordt beïnvloed door wat mensen denken dat anderen belangrijk vinden, maar ook hoe anderen zich gedragen.
- Sociale druk: verwachtingen of druk uit de omgeving kunnen de intentie beïnvloeden. Verwachten vrienden dat iemand een biertje neemt? Dan is de kans aanwezig dat degene, ondanks goede voornemens, beïnvloed wordt door die druk.
- Sociale steun: sociale steun die iemand ervaart uit zijn of haar omgeving. Ervaart iemand steun, dan vergroot dat de intentie tot gedrag. Afkeuring verlaagt de intentie.
Ook bij sporten en bewegen speelt sociale invloed een belangrijke rol[5,6]: als belangrijke mensen (zoals ouders, partners, vrienden en collega’s) zelf actief zijn, dit belangrijk vinden of aanmoedigen, vergroot dat meestal iemands intentie om te gaan sporten en bewegen.
Geloof in eigen kunnen
De laatste kernfactor uit het ASE-model is eigen-effectiviteit, oftewel het geloof in eigen kunnen. Dit verwijst naar de mate waarin iemand overtuigd is dat hij of zij in staat is het gedrag uit te voeren. Hoe groter het vertrouwen in eigen kunnen, hoe groter de intentie om bepaald gedrag uit te voeren.
Bij sport- en beweeggedrag kan vertrouwen in eigen kunnen ertoe leiden dat mensen eerder starten met bewegen en dit ook bij obstakels en uitdagingen langer volhouden[7]. Wanneer iemand denkt dat hij of zij iets niet kan, zal de intentie lager zijn. Het gaat hierbij dus niet per se over wat iemand daadwerkelijk kan, zoals kennis en vaardigheden, maar vooral om het vertrouwen dat iemand heeft dat het zal lukken. In de praktijk zijn die twee niet altijd hetzelfde.
Vaardigheden en barrières
Ook als iemand een sterke intentie heeft om meer te bewegen, lukt het niet altijd om dat voornemen om te zetten in gedrag. Dat kan komen door een gebrek aan vaardigheden of barrières. Bij vaardigheden kan het bijvoorbeeld gaan over de fysieke, cognitieve en technische vaardigheden die nodig zijn om het gedrag uit te voeren.
Denk bijvoorbeeld aan de kennis over lokaal beweegaanbod, planvaardigheden of digitale skills. Bij barrières gaat het over drempels die het moeilijk maken om een voornemen uit te voeren. Soms is er bijvoorbeeld geen geschikt beweegaanbod in de buurt, onvoldoende budget of is de omgeving onveilig.
Externe variabelen
Tot slot kent het ASE-model ook externe variabelen. Deze achtergrondkenmerken maken gedrag makkelijker of moeilijker, zoals leeftijd, geslacht, afkomst, opleiding en inkomen. Als professional kun je deze achtergrondkenmerken vaak niet veranderen, maar het helpt wel om ze te kennen. Zo kun je beter inschatten welke ondersteuning iemand nodig heeft om in beweging te komen. Zo kan het bijvoorbeeld helpen om te weten dat iemand een lager opleidingsniveau heeft en daarom mogelijk extra uitleg nodig heeft of dat iemand een lager inkomen heeft waardoor je kiest voor gratis of goedkope beweegactiviteiten in de wijk.
Wat kun jij hiermee als professional?
Als je aan de slag gaat met het stimuleren van meer bewegen, dan kun je daarvoor de theorie uit het ASE-model gebruiken:
- Attitude beïnvloeden: help mensen om positieve ervaringen met bewegen op te bouwen. Begin met laagdrempelige beweegactiviteiten, maak de voordelen zichtbaar en laat mensen die voordelen ervaren.
- Sociale invloed benutten: laat zien dat anderen bewegen belangrijk vinden en kijk of je steun van de omgeving voor bewegen kunt versterken, bijvoorbeeld via rolmodellen of een beweegmaatje.
- Eigen-effectiviteit versterken: laat mensen kleine stappen zetten en succes ervaren. Je kunt ook rolmodellen inzetten, succesverhalen delen en mensen hun eigen voortgang laten bijhouden. Kies wel rolmodellen en voorbeelden waar iemand zich in herkent.
- Vaardigheden ontwikkelen: help mensen om de kennis en vaardigheden te ontwikkelen die nodig zijn om het doelgedrag uit te voeren.
- Barrières verminderen: breng de barrières in kaart, zoals financiële drempels of het ontbreken van de juiste faciliteiten en zoek naar oplossingen of alternatieven.
- Externe variabelen meenemen: breng iemands achtergrondkenmerken in kaart om beter te bepalen welke ondersteuning iemand nodig heeft.
Kanttekening bij het ASE-model
Het ASE-model vertelt niet het hele verhaal. Het model gaat ervan uit dat intentie een directe voorspeller is van gedrag, terwijl het mensen niet altijd lukt om een goed voornemen om te zetten in gedrag. In de gedragswetenschap wordt dit de intention-behavior gap genoemd. Onderzoekers schatten dat ongeveer 46% van de intenties daadwerkelijk wordt omgezet in gedrag[8].
Daarnaast heeft het ASE-model enkele duidelijke tekortkomingen. De belangrijkste is dat gedrag ook onbewust kan ontstaan en vaak gestuurd wordt door emoties. Deze factoren maken geen deel uit van het ASE-model.
Conclusie
Het ASE-model biedt professionals een overzichtelijk theoretisch raamwerk om beweeggedrag beter te begrijpen en te beïnvloeden. Het laat zien dat bewust gedrag ontstaat als een gevolg van een intentie, die weer wordt gevormd door attitude, normen en eigen-effectiviteit. Naast die belangrijke voorspellers, laat het model zien dat vaardigheden, barrières en externe factoren invloed hebben op de intentie en het omzetten van die intentie naar gedrag.
Tegelijkertijd vertelt het model niet het hele verhaal. Gedrag is vaak onbewust of gestuurd door emoties. Deze factoren zijn niet voldoende meegenomen in het ASE-model. Het geeft daardoor een wat te simplistische weergave van de werkelijkheid.
Gebruik als professional daarom altijd aanvullende gedragstheorieën en strategieën om beweeggedrag van je doelgroep te begrijpen en te begeleiden naar meer beweging. Een optie is om daarvoor het I-Change Model te gebruiken, een recentere en uitgebreidere versie van het ASE-model. Ben je benieuwd naar andere modellen en theorieën gericht op het veranderen van beweeggedrag? Bekijk dan het overzichtsartikel Beweeggedrag veranderen: vijf modellen als basis.
E-book Beweeggedrag veranderen
Wil je als professional beter wegwijs worden in de wereld van gedragsverandering en anderen effectief begeleiden naar meer beweging? Bekijk dan het e-book ‘Beweeggedrag veranderen’ van Kenniscentrum Sport & Bewegen. In dit e-book lees je meer over gedrag, motivatie, weerstand, gedragsverandering, én vind je praktische tools om mee aan de slag te gaan.
Bronnen
- de Vries H, Dijkstra M, Kuhlman P. Self-efficacy: The third factor besides attitude and subjective norm as a predictor of behavioural intentions. Health Education Research 1988; 3: 273–282.
- de Vries H, Mudde A. Predicting stage transitions for smoking cessation applying the attitude-social influence-efficacy model. Psychology & Health 1998; 13: 369–385.
- Kok G, De Vries H, Mudde AN, et al. Planned health education and the role of self-efficacy: Dutch research. Health Educ Res 1991; 6: 231–238.
- Ajzen I. From Intentions to Actions: A Theory of Planned Behavior. In: Kuhl J, Beckmann J (eds) Action Control: From Cognition to Behavior. Berlin, Heidelberg: Springer; 1985. p11–39.
- Carron AV, Hausenblas HA, Mack D. Social influence and exercise: A meta-analysis. Journal of Sport & Exercise Psychology 1996; 18: 1–16.
- Albarracín D, Fayaz-Farkhad B, Granados Samayoa JA. Determinants of behaviour and their efficacy as targets of behavioural change interventions. Nature Reviews Psychology 2024; 3: 377–392.
- Bandura A. Self-efficacy: Toward a unifying theory of behavioral change. Psychological Review 1977; 84(2): 191–215.
- Rhodes RE, De Bruijn G. How big is the physical activity intention–behaviour gap? A meta‐analysis using the action control framework. British J Health Psychol 2013; 18: 296–309.