Alles over sport logo

Hoe kijkt een gemeente aan tegen talentontwikkeling in het onderwijs?

Het begrip talent of gave devalueert, beweert het NOC*NSF. We leven zelfs in een ‘zesjescultuur’, meent Staatssecretaris Sander Dekker. De hoogste tijd voor een nadere inspectie. In een serie interviews voelt Kenniscentrum Sport drie experts op het gebied van talentontwikkeling aan de tand. Ieder vanuit hun eigen invalshoek. In aflevering 3 van het drieluik: hoe kijkt een gemeente aan tegen talentontwikkeling? Wat is talentontwikkeling? Martijn Postuma en Mirjam Gosen geven antwoord namens het Almere Kenniscentrum Talent.

Wie ben je en wat doe je?

Mirjam Gosen en Martijn Postuma van het Almere Kenniscentrum Talent (Foto: Anita Riemersma)

Mirjam: “Martijn en ik vormen samen het projectteam van het Almere Kenniscentrum Talent (AKT). We zitten nog in een pilotfase, maar na dit project – dat tot het eind van het jaar duurt – is de exploitatiefase ook geregeld. Ik ben er om het project op te starten en te implementeren. Martijn gaat straks over de exploitatie van het Kenniscentrum.”

Martijn: “Ik ben bij de gemeente Almere werkzaam als beleidsadviseur sport. Ik hou me bezig met de combinatiefunctionarissen, buurtsportcoaches en het AKT. Dat laatste doe ik nu samen met Mirjam en natuurlijk met heel veel partners in de stad en de provincie.”

Wat is talentontwikkeling?

een meisje springt van hoepel naar hoepel in de gymzaal
(Foto: Anita Riemersma)

Martijn: “Die vraag wordt ons vaak gesteld. Traditioneel vanuit de sport gezien is een talent iemand die bovengemiddeld is in zijn of haar tak van sport. Wel vind ik het lastig dat er bijvoorbeeld in de voetballerij al van een zevenjarige wordt gezegd: ‘Dat is een talent.’ Kijk als je een F’je bent en je schopt er per seizoen 60 goals in dan ben je inderdaad talentvoller dan leeftijdsgenootjes. Maar het criterium van het NOC*NSF is niet voor niets ‘Podium Min Acht’. Elke tak van sport heeft piekmomenten. In de gymnastiek ligt dat moment eerder dan in bijvoorbeeld de triatlonsport. Toen heeft NOC*NSF na overleg met de bonden gesteld dat het van belang is om pas van talent te spreken als ze acht jaar voor het podium zitten. Kortom: pas op bij het etiketje talent.”

Mirjam: “Wat Martijn zegt, geldt nu voor topsport. Maar er bestaat ook nog de ontwikkeling van beweegtalent. Martijn zegt heel terecht: ‘Niet te vroeg specialiseren’. Probeer gericht motorische vaardigheden te ontwikkelen zodat kinderen veelzijdige bewegers worden. Daarna kun je gericht specialiseren en wordt de atleet een specialist. Als je blijft denken en handelen vanuit het traditionele begrip toptalent dan droogt uiteindelijk de vijver op. Als je niets aan beweegvaardigheid doet, geen acht slaat op de huidige bewegingsarmoede bij de jeugd dan hebben we over 10 jaar echt een probleem in onze samenleving.”

Hoe eerder je een talent signaleert hoe beter?

Martijn: “Slechts een klein percentage van de topsporters van nu was op jonge leeftijd al een groot talent. Dan hebben we het over de Tiger Woods en Usain Bolts van deze wereld. Het grootste gedeelte van alle huidige topsporters was op jonge leeftijd dus geen groot talent. Zij ontwikkelden zich pas veel later. Veel talent gaat voortijdig verloren wanneer we ons teveel focussen op de kleine groep die op jonge leeftijd al eruit springt.”

Talentontwikkeling in het onderwijs

Mirjam: “Ik denk dat toen kinderen nog buiten speelden en in bomen hingen – toen de kinderen impliciet beweegvaardigheid ontwikkelden – we nog genoeg talenten over hielden. Tegenwoordig mogen kinderen niets meer van hun ouders. Ze worden gepamperd en beschermd. En in het onderwijs wordt er steeds minder gebruik gemaakt van vakdocenten-sport en daalt het aantal uren bewegingsonderwijs. De prioriteiten liggen anders. De rol van rekenen en taal en de cito op scholen is zo groot. Als je als school niet goed scoort, loop je het risico te worden bestempeld als een zwakke school. Dus snap ik ook wel waar scholen voor kiezen, vooral de kleinere.”

Martijn: “Pas als we – gechargeerd gesproken – zouden kunnen uitrekenen hoeveel een uur langer sporten in de week kan besparen op zorg hebben we een sleutel in handen. Kinderen die beweegvaardiger zijn, zijn minder blessuregevoelig. Ook zijn er onderzoeken die bewijzen dat ook als je vaker gaat gymen de resultaten van taal en rekenen toch beter worden. Die kennis moeten we verspreiden in het land.”

Wat doet de gemeente Almere aan talentontwikkeling?

(Foto: Anita Riemersma)

Mirjam: “De gemeente Almere heeft samen met de provincie Flevoland het Almere Kenniscentrum Talent opgericht. Het AKT werkt volgens een eigen aanpak aan talentontwikkeling. Wij richten ons op het verbeteren van de algehele beweegvaardigheid van kinderen in samenwerking met het basisonderwijs, ieder op zijn eigen niveau. Daarna ontwikkelen zij zich verder binnen de (on)georganiseerde breedtesport en/of de topsport. Onze samenwerking en verbinding met alle sportorganisaties zoals het onderwijs, de breedtesport, sportbuurtcoaches en topsport is een goed voorbeeld van sociale innovatie. Ofwel het duurzaam verbinden van partijen die zich bezighouden met sport en bewegen. Daarbij maken we gebruik van verschillende methoden en modellen, waaronder het Athletic Skills Model (ASM), onze Haarlemmerolie. Kennisontwikkeling en het delen van kennis zijn belangrijke pijlers onder het AKT.”

Martijn: “We gaan in Almere naar een integrale ontwikkeling van talent toe. Alle basisschoolleerlingen in Almere worden straks beoordeeld op hun beweegvaardigheid. Vervolgens is er een naschools aanbod op hun eigen beweegniveau. Zo bieden we een derde uur gym aan, direct na school. We zijn eerst begonnen met een aanbod van motorische remedial teaching (MRT) voor de kinderen die onder het basisniveau scoren en daarbij bieden we een programma voor de talentvolle bewegers. In dat laatste geval heb je de beste bewegers uit de hele stad bij elkaar, op wijkniveau. In de veronderstelling dat, als je een goede beweger laat sporten met een andere goede beweger, ze allebei beter worden.”

Mirjam: “Deze naschoolse sportlessen worden gegeven vanuit de veilige omgeving van de school, zodat het minder bedreigend is voor kinderen die bijvoorbeeld moeite hebben met bewegen. Het AKT staat voor de ontwikkeling van ‘ieders talent’, dus vanuit het individuele kind.’ Hierbij wordt actief verbinding gelegd met de breedtesport en de topsport.”

Martijn: “We hebben een aantal moederscholen benoemd binnen de wijken. In de eerste pilot zijn dat er drie. We werken hierin nauw samen met de Almeerse Scholengroep. Volgend jaar worden dat er zeven. Op termijn denken we aan 10 moederscholen om alle 75 scholen in Almere te kunnen bedienen. Dan zitten we op zo’n 1000 Almeerse jeugdigen. Het project wordt uitgerold in Flevoland, we zijn nu in gesprek met Lelystad om ook daar een locatie op te zetten.”

Waarom werken jullie in Almere aan talentontwikkeling?

Mirjam: “We willen meer goede bewegers. De motorische vaardigheid moet omhoog. Dat is ook wat de topsport in Flevoland wil. Daarnaast is een vaardige beweger sociaal sterker, fitter en minder vatbaar voor blessures. Dat bevordert het welzijn, een leven lang bewegen en scheelt de gemeenschap op latere leeftijd veel geld.”

Martijn: “Geef ons een grotere vijver om uit te vissen, horen we vanuit de (top)sport. En zorg dat degene die bij ons komen een hogere basisvaardigheid van bewegen hebben. Dat begint in samenwerking met de vakdocenten in het onderwijs. Gelukkig hebben we in Almere en ook in Lelystad goede vakdocenten. Bij hen zit veel kennis en daar begint het.”

Een meisje staat op een mat in de gymzaal en gaat een balletje naar de muur gooien
(Foto: Anita Riemersma)

Martijn: “We waren onlangs bij een topsportvereniging en bespraken de breedmotorische aanpak en opleiding Athletic Skills Model die we vanuit het AKT faciliteren. Toen werd er geconstateerd: ‘We houden in het verenigingsleven in Nederland eigenlijk zelf het traditionele systeem in stand.’ Het vroegselecteren en alleen oog hebben voor prestatie – lees vaardigheden – en minder de potentie. Nog altijd wordt van de betere voetballertjes de F1 gemaakt en van de minderen de F6. De F1 krijgt 3 jaar lang alle mogelijkheden en toptrainingen en die F6 niet. Dan is het groepje dat in de F1 zit over drie jaar nog steeds beter. Terwijl het grote talent misschien wel in de F6 zit.”

Mirjam: “Daarom stimuleert het AKT veelzijdig bewegen voor de hele groep. Daardoor wordt potentieel talent zichtbaarder. In ons eerste opleidingsmoment zaten trouwens zowel topsportcoaches als vakdocenten bewegingsonderwijs. Mooi om te zien, want iedereen denkt in eerste instantie vanuit zijn eigen kader. Maar er ontstaat begrip voor elkaar, vanuit de liefde voor sport en bewegen. Onze droom is dat er straks een aantal overkoepelende trainingsuren is voor alle (top)sporttalenten. Dat vraagt iets van een sportorganisatie. Je ziet ze denken: ‘Daar gaat mijn talent, straks wordt hij gescout door een andere sportvereniging.’ Alle partijen die mee doen, moeten over de eigen schaduw heen willen springen. Het moet terechtkomen in het DNA van alle sportorganisaties en dat kost tijd.’ De partijen waar we nu in de beginfase mee werken, zijn ambitieus en zien de meerwaarde. Triatlon en windsurfen kunnen samen een breed beweegprogramma draaien. Zo willen we duidelijk maken dat je ook in de topsport op een andere manier naar talentontwikkeling en -herkenning kunt kijken.”

Martijn: “Dat vraagt tijd. Bij een van de verenigingen hebben de jeugdtrainers hun spelertjes in eerste instantie afgeraden om deel te nemen aan ons naschoolse sportaanbod. In gesprekken proberen we duidelijk te maken dat je juist een betere sporter kunt worden door veelzijdig te bewegen. Daarentegen zijn de windsurfers zo ver dat ze in plaats van twintig uur nu zestien uur op de plank gaan staan. Die andere vier uur gaan ze heel andere dingen doen in een gehuurde gymzaal.”

Mirjam: “Vervolgens zeggen de triatleten ‘We doen mee en huren die zaal samen.’ Het is een cultuuromslag. We hebben geluk dat er in Almere een heel actieve groep coaches en vakdocenten zit. Met hen zijn we begonnen. Via deze groep proberen we uiteindelijk heel Flevoland te bereiken.”

Wie financiert dit project?

(Foto: Anita Riemersma)

Mirjam: “We draaien nu pilots om te testen of onze ideeën werken en ontwikkelen deze verder met onze partners. Voor de pilots en de fysieke inrichting van het AKT hebben we subsidie gekregen van de provincie: 2 miljoen euro. De gemeente Almere draagt ook financieel bij aan de exploitatie van het gebouw. De basis is dan geborgd. We zijn gestart in Almere maar hebben de ambitie om heel Flevoland aan te laten sluiten. Elke gemeente zal dan worden gevraagd een bijdrage te leveren. En dan heb je nog het onderwijs en de verenigingen, maar daar is vrijwel geen geld beschikbaar. Zij investeren met name in kennisdeling en overdracht. De Almeerse Scholen Groep is een partner van het eerste uur. Zij investeren mee door de inzet van vakdocenten. Verder is NOC*NSF aangehaakt, mede vanuit Topsport Flevoland.”

Martijn: “We werken ook samen met de RTC’s (Regionaal Talenten Centra), de sportverenigingen, combinatiefunctionarissen, ASM en het project Almere Jongeren op gezond gewicht (JOGG Almere). We doen aan kennisontwikkeling met partijen als de Hogeschool van Amsterdam en ROC Sport en Bewegen. Verder zijn we als fieldlab aangesloten bij het Amsterdam Institute of Sport Science (AISS)“.

Welke partijen zouden jullie nog graag zien aansluiten?

Martijn: “Meer scholen, zowel in het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs. Verder denk ik weleens aan Friesland waar met hulp van een Friese zorgverzekeraar extra vakdocenten op de scholen zijn gefinancierd. Het zou mooi zijn als we er ook in slagen om een grote commerciële partij en sociale partners erbij te betrekken. Dat is de volgende stap, vanuit onze kracht en door het laten zien van resultaten.”

Mirjam: “We geloven heel erg in sociale innovatie. Vanuit de Hogeschool Arnhem Nijmegen is in samenwerking met Kenniscentrum Sport daar onderzoek naar gedaan. De crux ligt bij structureel samenwerken, met alle partijen. Kenniscentrum Sport is voor ons een hele interessante partij, vanwege hun expertise op het gebied van de ontwikkeling van kennis en het ontsluiten en delen van deze kennis. De partij die vaak ontbreekt is het bewegingsonderwijs. Dat proberen we hier in Almere wel te doen. Op basis van concrete resultaten gaan we nu ondernemers benaderen. Vanuit hun kracht en niet alleen vanuit de behoefte aan financiering. Almere en Flevoland kunnen zich met het AKT onderscheiden, dus niet door het traditioneel promoten van een sport, maar vanuit een integrale visie op veelzijdig sporten en bewegen.”

Wat is jullie stip aan de horizon?

Een jongen steunt met zijn handen op een bankje en gooit zijn benen zijdelings omhoog om van de ene kant naar de andere kant van het bankje te gaan
(Foto: Anita Riemersma)

Martijn: “Dat kinderen in Almere vijf dagen in de week bewegen, afgestemd tussen de diverse partijen. Op maandag naschools bewegen op je eigen niveau, op dinsdag naar de activiteiten georganiseerd door de buurtsportcoach, op woensdag weer iets anders et cetera. En alles met hetzelfde doel: dat Almeerders gezonder worden en dat de talentontwikkeling voor de top tot wasdom komt.”

Mirjam: “Het grote voordeel van Almere ten opzichte van de meeste andere gemeentes is dat we een jonge stad zijn met heel veel kinderen. De infrastructuur in Almere is nog niet vastgeroest. Het zijn vaak korte lijntjes. Ideaal voor innovatie en nieuwe ontwikkelingen. Mijn droom is dat het AKT straks nationaal erkend wordt als voorbeeld voor talentontwikkeling voor iedereen. Ieder zijn talent!”

Fotografie: Anita Riemersma


Auteur(s)

Artikelen uitgelicht


Beweegstimulering
Onderwijs
professional
opinie
talentontwikkeling