Sluiten

Zelfstandig sporten van kinderen met DCD

Artikel

Geplaatst op 12 oktober 2018

Sport en bewegen is van belang voor de ontwikkeling van kinderen. Dat geldt ook voor kinderen met Development Coordination Disorder, oftewel kinderen die problemen ervaren bij het uitvoeren van motorische vaardigheden zoals voetballen, fietsen, rennen en klimmen. De komst van digitale middelen in het onderwijs, biedt nieuwe mogelijkheden voor ondersteuning voor deze groep, die een stuk minder beweegt. In dit artikel introduceren we de aanpak ‘Zelfstandig sporten van kinderen met DCD’.

Lees ook dit artikel over achtergronden van kinderen met DCD.

De kern van deze nieuwe aanpak is kinderen met DCD op een impliciete manier ondersteunen tijdens het aanleren van motorische vaardigheden. En dat heeft een positief effect. De impliciete wijze van leren doet een minder groot beroep op het werkgeheugen, waardoor de aan te leren vaardigheden eerder tot succes leiden. Door gebruik te maken van de cyclus van zelfsturing leert het kind niet alleen de vaardigheid, maar ook het vermogen om zelfstandig nieuwe vaardigheden aan te leren om deze vervolgens toe te passen in nieuwe situaties. De rol van de docent is daarbij cruciaal. Hij zorgt voor een klimaat waarin het kind kan leren. De docent ondersteunt in het leerproces en stelt vragen om het proces van leren op gang te houden. Het eigenaarschap van leren ligt bij het kind. Door eigen gemaakte keuzes en de inrichting van het proces, voelt het kind zich meer verbonden met de aangeleerde vaardigheid.

Plezier in sporten

Plezier en succesbeleving staan centraal in deze methodiek. Het programma bestaat uit een serie lessen, een app met filmpjes en hulpkaarten met aanwijzingen om sporten te leren. Op dit moment kunnen kinderen kiezen uit zo’n 20 sportvaardigheden variërend van skeeleren, longboarden, tennissen, voetballen en touwtje springen tot het leren van de handstand, de radslag of de judorol. In de app kunnen kinderen van al deze sporten filmpjes bekijken. Het diverse aanbod aan sporten spreekt kinderen bijzonder aan. Er zit altijd wel een sportvaardigheid tussen die het kind aanspreekt en graag wil leren. Kinderen kiezen iets wat ze zelf leuk vinden en waar ze enthousiast over zijn. Dit stimuleert het oefenen enorm.

Veelzijdig sporten

Er wordt verwacht van de kinderen dat ze, naast het wekelijkse uurtje, meerdere keren per week zo’n 10-15 minuutjes oefenen, het liefst zelfs elke dag. In de aanpak wordt gewerkt met cycli van vier weken. In deze vier weken kiezen kinderen een of twee sportvaardigheden die ze graag willen leren. Na deze periode kunnen ze weer nieuwe sporten kiezen. Uit de praktijk blijkt dat twee sporten per vier weken een mooi aantal is voor deze doelgroep. Twee sporten biedt mogelijkheden voor afwisseling tijdens het oefenen. Daarnaast is de kans dat kinderen succeservaringen opdoen groter bij twee sporten dan bij een sport. Echter, het kiezen van twee sporten per cyclus van vier weken is niet perse noodzakelijk. Er kan ook gekozen worden voor één sport of zelfs voor drie. De docent maakt hier samen met het kind een keuze in, waarbij de individuele mogelijkheden leidend zijn.

Zelfregie en zelfsturing

In de aanpak zelfstandig sporten worden kinderen betrokken bij het leerproces. Kinderen staan aan het roer van het leerproces wat het leerresultaat bevordert. Naast het kiezen van hun eigen sportvaardigheid, stellen kinderen leerdoelen, denken ze na over hoe vaak en wanneer ze willen oefenen (planning maken) en monitoren en reflecteren ze het leerproces. Om kinderen te helpen bij dit proces is de zelfsturingcyclus opgesteld. De zelfsturingscyclus (figuur 1) bestaat uit vier stappen:

  1. Wat ga ik doen?
  2. Hoe ga ik dat doen?
  3. Ik ga oefenen, lukt het?
  4. Hoe ging het oefenen?

Figuur 1: zelfsturingscyclus

Bij vraag 1 denken kinderen na over welke sport ze willen leren en welke leerdoelen ze hieraan koppelen. In de aanpak Zelfstandig sporten leren de kinderen sporten in kleine stappen, waarbij het steeds een beetje moeilijker wordt. Een leerdoel is dan bijvoorbeeld ‘ik wil na vier weken stap zes van tennissen behaald hebben’. Vervolgens denken ze na over hoe ze dat doel kunnen bereiken en maken ze een planning en stellen per week een leerdoel op.

Verschillende niveaus

Kinderen gaan oefenen. Tijdens en na het oefenen stellen ze zichzelf vragen zoals: Hoe ging het oefenen? Wat gaat goed, wat gaat nog niet zo goed, wat kan er anders? Ook stellen ze zichzelf de vraag of ze klaar zijn met deze stap en toe zijn aan de volgende stap of juist nog niet. Docenten ondersteunen dit leerproces en het doorlopen van de zelfsturingcyclus. De ruimte voor kinderen in het proces van zelfsturing is sterk afhankelijk van de leeftijd van het kind en van de mate van zelfsturing. Het ene kind kan meer aan in dit proces dan het andere kind. De kunst voor docenten is om het niveau van zelfsturing van het individuele kind juist in te schatten en het handelen daarop aan te passen.

Stapsgewijs oefenen

Om kinderen met DCD veel succeservaringen te laten opdoen, leren ze de sportvaardigheden stapsgewijs en op hun eigen niveau. Elke sport is onderverdeeld in acht stappen. Dit betekent dat kinderen niet in één keer een sportvaardigheid hoeven te leren, maar dat ze dit doen in kleine stappen. Beheersen ze een stap, dan gaan ze naar de volgende stap. Het grote voordeel hiervan is dat kinderen veel succeservaringen opdoen wat weer motiveert om verder te oefenen. Bovendien bouwen kinderen hierdoor zelfvertrouwen op. Acht stappen betekent niet automatisch dat alle kinderen al deze acht stappen doorlopen. Het instap niveau wordt bepaald door hoe goed een kind al is. Dit kan stap één zijn, maar ook stap drie. Ook het eindniveau kan per kind verschillen.

Voorbeeldvideo’s

Filmpjes van alle acht stappen per sportvaardigheid dienen als instructie. Ipads worden ingezet om deze voorbeeldfilmpjes te kunnen bekijken. De wijze van instructie verandert hiermee van traditionele verbale instructie naar meer visuele impliciete instructie. Juist kinderen met DCD hebben behoefte aan minder verbale instructie en veel meer visuele impliciete instructie. Dit omdat de meer impliciete manier van instrueren veel minder het werkgeheugen van deze kinderen belast. Dit is een belangrijk gegeven, omdat kinderen met DCD vaak problemen hebben met het werkgeheugen. Door het kijken naar voorbeelden op filmpjes kunnen kinderen zelfstandig aan de slag met de sportvaardigheden.

Leerstrategie

Zoals hierboven al genoemd, kent de aanpak een van een impliciete manier van instructie. Grofweg onderscheiden we twee leerstrategieën: een expliciete manier en een impliciete manier van leren. Bij het expliciet leren is tijdens het aanleren van de vaardigheid de aandacht gericht op de te maken beweging zelf. Op deze manier doet het kind kennis op over de vaardigheid en kan het verklaren waarom de beweging op die wijze moet worden uitgevoerd. De impliciete leerstrategie wordt ook wel onbewust leren genoemd. Het impliciet leren richt zich meer op het resultaat van de beweging. In tegenstelling tot expliciet leren komt bij impliciet leren de verbetering van de vaardigheid tot stand zonder gebruik te maken van expliciete kennis over de bewegingsuitvoering. Wanneer je het impliciete leerproces wil stimuleren, dien je de leeromgeving zo in te richten, dat de kans op het opdoen van expliciete kennis van de vaardigheid zo gering mogelijk is. Als je bijvoorbeeld het mikken wilt aanleren begin je met een groot trefvlak, wanneer het kind hiermee succes heeft verklein je het trefvlak.

Onderzoek naar effectiviteit

De aanpak Zelfstandig sporten van kinderen met DCD is op verschillende locaties uitgetest. Er is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de aanpak ten aanzien van motorische vaardigheden, niveau van zelfsturing, de motivatie en de motorische competentie van de kinderen. Ook is onderzoek gedaan naar de toepasbaarheid en bruikbaarheid van de aanpak in de praktijk en naar de ervaring van de kinderen. Meer dan 95% van de lessen zijn door de kinderen gewaardeerd als leuk tot super leuk. Ook gaven de kinderen aan het prettig te vinden om stapsgewijs te oefenen en een filmpje als voorbeeld te hebben. Uitgebreide resultaten van het onderzoek worden later gepubliceerd via de website van het Lectoraat Praktijkgerichte Sportwetenschap van de Hanzehogeschool Groningen (www.hanze.nl/lps).

Bronnen

Voor dit artikel werden onderstaande bronnen gebruikt:

  1. Cairney, J., Hay, J. A., Veldhuizen, S., Missiuna, C., & Faught, B. E. (2010). Developmental coordination disorder, sex, and activity deficit over time: a longitudinal analysis of participation trajectories in children with and without coordination difficulties. Developmental Medicine & Child Neurology, 52(3), e67-e72. https://doi.org/10.1111/j.1469-8749.2009.03520.x
  2. Steenbergen, B., van der Kamp, J., Verneau, M., Jongbloed-Pereboom, M., & Masters, R. S. W. (2010). Implicit and explicit learning: Applications from basic research to sports for individuals with impaired movement dynamics. Disability and Rehabilitation, 32(18), 1509-1516. https://doi.org/10.3109/09638288.2010.497035
  3. Alloway, T. P., Rajendran, G., & Archibald, L. M. (2009). Working memory in children with developmental disorders. Journal of learning disabilities, 42(4), 372-382. https://doi.org/10.1177/0022219409335214
  4. van Casteren, E. A. M., Abswoude, F. V., Kamp, J., & Steenbergen, B. (2015). Heeft impliciet leren een plek in de gymles? Deel 1: Een classificatie van impliciete en expliciete leermethoden. https://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/151424/151424.pdf?sequence=1
Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.