Sluiten

Wat werkt? Feiten en tips voor sportbegeleiders om verandering in beweeggedrag bij chronisch zieken (volwassenen) te stimuleren

Factsheet

Geplaatst op 12 april 2018

Steeds meer volwassenen hebben een chronische aandoening. En hoe ouder de mensen, hoe groter het risico op zo’n aandoening. Voor heel veel aandoeningen is voldoende bewegen een manier om de problemen voor de patiënt te beperken. Maar juist deze groepen patiënten bewegen relatief weinig. Het blijkt lastig om deze groep aan het bewegen te krijgen en te houden: het is namelijk nodig om bestaand gedrag te veranderen en dat is zowel voor de begeleider als de patiënt een uitdaging. Vooral de groep ‘chronisch zieken’ zit vaak in een circuit van afhankelijkheid (soort ‘gecreëerde afhankelijkheid’ of zelfs ‘aangeleerde hulpeloosheid’).

Om deze groep blijvend te laten bewegen is vaak een andere strategie nodig dan voor mensen die gewend zijn veel te bewegen en te sporten. Landelijke trends zijn om deze groepen steeds meer bij het lokale sport- en beweegaanbod te laten bewegen, en niet (meer) in de dure zorg als daar geen medische reden voor is. Zowel vanwege de kosten, als vanuit de bij het ministerie en bij sporters levende gedachte dat voldoende bewegen gewoon onderdeel zou moeten zijn van een normaal leven. Er liggen dus kansen voor de sportaanbieder, maar ook een enorme uitdaging. Want wat voor een sporter zo logisch lijkt, ligt voor een overtuigd niet-sporter vaak heel anders. Alleen met begeleiding die uitgaat van de principes en uitgangssituatie van die niet-sporter kan de sportaanbieder meer van deze mensen trekken, en die langer bij hem houden.

Het complexe proces van gedragsverandering

Gedragsverandering vraagt veel tijd en is een complex proces, beschreven aan de hand van theoretische modellen. In de basis lijken deze modellen op elkaar. Verandering van ongezond (‘ongewenst’) gedrag naar gezond (‘gewenst’) gedrag loopt via een aantal fasen. In de verschillende fasen is een andere aanpak nodig om terecht te komen in de volgende fase, en kan ingespeeld worden op factoren die zowel in de persoon zelf spelen als daarbuiten.

De hoogste fase betekent dat het makkelijk is om het aangeleerde gedrag vol te houden: iemand is sterk intrinsiek gemotiveerd, en houdt het vol omdat hij het leuk vindt, erg belangrijk vindt of gewoon ervaart dat hij zich beter voelt. De voordelen van het gedrag wegen dan op tegen de nadelen. Er zijn overigens steeds meer bewijzen voor de invloed van het onbewuste op gedrag. Dat wordt niet expliciet meegenomen in de modellen.

Er zijn verschillende theoretische modellen bruikbaar, maar de ‘Self Determination Theory’ wordt tot nu toe als best toepasbaar aangemerkt voor mensen met een chronische aandoening met beperkte beweeghistorie. In dit model staan 3 elementen centraal:

  1. Autonomie – In hoeverre heb ik zelf het idee de regie te hebben over mijn eigen gedragingen,
  2. Verbondenheid– In hoeverre word ik gesteund bij het veranderen en behouden van ander gedrag, en
  3. Competentie – hoe effectief ben ik in het halen van mijn doelen? Indien de deelnemer ervaart dat hij zelf ook iets kan, het leuk vindt en het hem op korte termijn iets oplevert dan blijkt dat hij dit vaker zelf wil doen (en wordt intrinsiek gemotiveerder).

Het toepassen van ‘motivational interviewing’/motiverende gesprekstechnieken ondersteunt sterk het toepassen van dit model. Dit kun je goed toepassen als een deelnemer langer door jou begeleid wordt.

10 tips voor sport- en beweegaanbieders om deze mensen beter te kunnen begeleiden

Theoretische modellen beschrijven vaak niet hoe je daar als sport- en beweegaanbieder mee om kunt gaan. Het is verleidelijk om meer intuïtief te werk te gaan. In de factsheet is een koppeling gemaakt tussen de theoretische modellen en de praktijk van de sportaanbieder, op basis van onderzoek van Kennispraktijk. Dit leidt tot tien praktisch toepasbare tips om de kans op blijvende gedragsverandering te verhogen, en dus om mensen langer aan je te binden.

  1. Zorg dat je een goed beeld krijgt van de deelnemer en sluit daarin de begeleiding bij aan.
  2. Realiseer je dat deze groep vaak niet gewend is aan fysiek (en mentaal) ongemak doorintensiever te bewegen
  3. Richt je op het weghalen van barrières.
  4. Creëer voortdurend positieve en vermijd negatieve ervaringen.
  5. Focus altijd op gedrag en niet (alleen) op resultaten en de aandoening.
  6. Laat mensen zelf hun beweegplan schrijven, met jouw ondersteuning.
  7. Maak mensen bewust van en verantwoordelijk voor hun beweeggedrag.
  8. Richt je bij het alledaagse bewegen ook op het achterhalen en doorbreken van zelf opgeworpen belemmerende overtuigingen die in de loop van de tijd ontstaan zijn.
  9. Geef altijd feedback die opbouwend en specifiek
  10. Geef ook kennis mee over de werking van het lichaam.

In de factsheet “10 tips voor sportbegeleiders om verandering in beweeggedrag bij chronisch zieken (volwassenen) te stimuleren” lees je de bij elke tip een toelichting.

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.