Een leven lang bewegen en sporten | Alles over sport
Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Een leven lang bewegen en sporten

Feiten & cijfers

Dit artikel geeft inzicht in het sport- en beweeggedrag voor verschillende levensfasen. Het accent ligt op bewegen en sport in de vrije tijd. De cijfers en de betekenis die we hieraan geven, kunnen behulpzaam zijn bij het inrichten van sport- en beweegbeleid.

Een leven lang sporten en bewegen om fit en gezond te blijven is een speerpunt van veel gemeenten en sportbonden. De insteek is dat mensen zo jong mogelijk beginnen en zo lang mogelijk (kunnen) blijven sporten en bewegen. Elke levensfase kent echter nieuwe en andere mogelijkheden, uitdagingen en beperkingen om sportief actief te zijn en te blijven.

Dit artikel gaat over het gedrag per levensfase. Meer over de motieven en belemmeringen per levensfase lees je hier.

Kennis over hoe verschillende levensfasen samenhangen met sport- en beweeggedrag kan helpen om het sport- en beweegbeleid zo in te richten dat het aansluit bij de behoefte van één of meerdere levensfasen. Ook kan het helpen om het huidige sport- en beweegaanbod beter te matchen met de vraag vanuit een leeftijdsgroep.

Welke aspecten van sport- en beweeggedrag brengen we in beeld?

In dit artikel presenteren we per levensfase de meest actuele feiten en cijfers over:

  • sporten (wekelijkse sportdeelname, verenigingslidmaatschap en de meest populaire sporten)
  • de combinorm en sport- en beweegactiviteiten in de vrije tijd
  • zitgedrag

In een korte toelichting geven we steeds een interpretatie van deze feiten en cijfers. De focus in dit artikel ligt op sporten en bewegen in de vrije tijd, buiten school- en werktijd om.

Toelichting op de combinorm

Een korte toelichting op de combinorm is op zijn plaats. Iemand voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij tenminste aan minimaal één van de twee onderliggende normen voldoet. Dat zijn de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) en de Fitnorm. Voor jongeren tot 18 jaar, volwassenen tot 55 jaar en 55 plussers gelden verschillende eisen om te voldoen aan de NNGB (zie tabel 1). Jongeren moeten bijvoorbeeld 1 uur per dag matig intensief bewegen om aan de norm te voldoen. Terwijl dit voor volwassen en ouderen 30 minuten is.

Ook is matig intensief voor jongeren iets anders dan voor volwassenen. En voor volwassenen is het weer iets anders dan voor ouderen. Vanwege de definitie van de combinorm, werkt deze afhankelijkheid van leeftijd door in het percentage van de bevolking dat aan de combinorm voldoet.  Lees hier meer over de normen en hoe ze precies werken.

Overzicht van feiten en cijfers

Tabel 1: Criteria Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB), Fitnorm en Combinorm

Jongeren
tot 18 jaar
Volwassenen
18 tot 55 jaar
55 plussers
NNGB 1 uur per dag tenminste matig intensieve lichamelijke activiteit
(5 MET¹ of hoger)
½ uur per dag, minimaal 5 dagen per week tenminste matig intensieve lichamelijke activiteit (4 MET of hoger) ½ uur per dag, minimaal 5 dagen per week tenminste matig intensieve lichamelijke activiteit (3 MET of hoger)
Fitnorm 20 min. 3 keer per week zwaar intensief bewegen (8 MET of hoger). 20 min. 3 keer per week zwaar intensief bewegen (6,5 MET of hoger) 20 min. 3 keer per week zwaar intensief bewegen (5 MET of hoger).
Combinorm Voldoen aan NNGB en/of Fitnorm Voldoen aan NNGB en/of Fitnorm Voldoen aan NNGB en/of Fitnorm

¹De MET-waarde, ofwel het metabool equivalent, is een meeteenheid voor de hoeveelheid energie die een bepaalde fysieke inspanning kost ten opzichte van de hoeveelheid energie in rust. De MET-waarde wordt uitgedrukt in verbruik van zuurstof per kilogram lichaamsgewicht per minuut. Eén MET is gelijk aan 3,5 ml zuurstof per kilogram lichaamsgewicht per minuut. Voorbeelden van activiteiten en hun bijbehorende MET-waarden zijn: wandelen (4,5 km/uur; 3,5 MET), stevig doorwandelen (5,5 km/uur; 4,3 MET), (fietsen (16 km/uur; 6,8 MET), aerobics (7,5 MET), hardlopen (8 km/uur; 8,3 MET). Bron: Ainsworth BE, et al. Med Sci Sports Exerc 2011; 43: 1575-1581
Bron: RIVM, kernindicatoren sport en bewegen

Figuur 1: wekelijks sporten (%), lidmaatschap sportvereniging* (%) en combinorm (%) per leeftijdsgroep

*cijfers uit de vrijetijdsomnibus zijn beschikbaar vanaf 6 jaar. De leeftijdscategorie betreft hier 6 tot 8 jaar in plaats van 4 tot 8 jaar.

Bronnen: wekelijks sporten en combinorm: 4-12 jr: Leefstijlmonitor, RIVM i.s.m. VeiligheidNL en CBS, 2015 (N=1259), 12 jaar en ouder: Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor, CBS i.s.m. RIVM 2015, (N=7448); lidmaatschap sportvereniging: Vrijetijdsomnibus (VTO), SCP/CBS, 2014 (N=2940)

 

Tabel 2: Top 3 meest beoefende sporten voor de diverse leeftijdsgroepen

Leeftijdsgroep 1 % 2 % 3 %
4 tot 8 jr  Voetbal  21%  Turnen/ gymnastiek  17%  Zwemmen  11%
8 tot 12 jr  Voetbal  23%  Hockey  10%  Turnen/ gymnastiek  10%
12 tot 18 jr  Voetbal  22%  Fitness/ conditietraining  15%  Hockey  8%
18 tot 25 jr  Fitness/ conditietraining  36%  Voetbal  14%  Trimmen/ joggen/ hardlopen  10%
25 tot 35 jr  Fitness/ conditietraining  31%  Trimmen/ joggen/ hardlopen  19%  Voetbal  10%
35 tot 45 jr  Fitness/ conditietraining  26%  Trimmen/ joggen/ hardlopen  21%  Tennis  6%
45 tot 55 jr  Fitness/ conditietraining  26%  Trimmen/ joggen/ hardlopen  16%  Toerfietsen (geen wielrennen)  7%
55 tot 67 jr  Fitness/ conditietraining  26%  Wandelen als sport  11%  Toerfietsen (geen wielrennen)  9%
67 tm 80 jr  Fitness/ conditietraining  24%  Tennis  10%  Wandelen als sport  9%

Bron: 4-12 jr: Leefstijlmonitor, RIVM i.s.m. VeiligheidNL en CBS, 2015n=1259;);  12 jaar en ouder: Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor, CBS i.s.m. RIVM, 2015 (N=7448)

 

Figuur 2: zitgedrag uren per dag per leeftijdsgroep

Bron: 4-12 jr: Leefstijlmonitor, RIVM i.s.m. VeiligheidNL en CBS, 2015 (n=1259), 12 jaar en ouder: Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor, CBS i.s.m. RIVM 2015, (N=7448)

 

Figuur 3: aantal uren per week fietsen, wandelen, sporten, klussen[1], tuinieren en buiten spelen in de vrije tijd per leeftijdsgroep

[1] Buitenspelen is nagevraagd bij kinderen van 4 t/m 11 jaar, en klussen en tuinieren is nagevraagd bij kinderen van 12 jaar en ouder.
Bron: 4-12 jr: Leefstijlmonitor, RIVM i.s.m. VeiligheidNL en CBS, 2015 (n=1259), 12 jaar en ouder: Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor, CBS i.s.m. RIVM 2015, (N=7448)

Kinderen 4 tot 8 jaar: buitenspelen belangrijkste activiteit

Interpretatie van de cijfers

Kinderen van 4 tot 8 jaar wonen thuis en brengen een groot deel van hun tijd op de basisschool door. In hun vrije tijd sporten zij minder uren per week dan de groep 8-12 jarigen. Een verklaring kan zijn dat jongere kinderen minder vaak lid zijn van een sportvereniging. Ouders kiezen vaak eerst voor het behalen van zwemdiploma’s. Een groot deel van de kinderen uit deze groep start op een gemiddelde leeftijd van vier tot vijf jaar met zwemles. Vanaf 8 jaar verdwijnt zwemmen uit de top 3 van meest beoefende sporten.

Het aandeel wandelen per week ligt hoger dan het aandeel fietsen. Waarschijnlijk omdat kinderen van 4 tot 8 jaar vaker naar school wandelen dan dat ze zelf fietsen. Kinderen in deze levensfase fietsen gemiddeld vanaf 5 jaar zonder zijwieltjes. Daarbij fietsen ze meestal nog geen grote afstanden en hebben ze veel begeleiding nodig in het verkeer.

Vergeleken met alle oudere levensfasen zitten kinderen van 4-8 jaar het minste. Jonge kinderen slapen per etmaal veel meer. Hierdoor blijft relatief minder ‘zittijd’ over. Ook is het aannemelijk dat door het grote aandeel speeltijd in deze leeftijdsfase, kinderen minder vaak stilzitten. Deze ‘speeltijd’ gaat over spelen thuis, maar ook over spelen op school. Kinderen in de onderbouw van de basisschool spelen op school vaker binnen en buiten dan kinderen vanaf 8 jaar.

Kinderen 8 tot 12 jaar: hoogste sportlidmaatschap en sportdeelname

Interpretatie van de cijfers

De groep 8 tot 12 jarigen woont thuis en brengt veel tijd op de basisschool door. Sporten in de vrije tijd, fietsen en wandelen naar school is in deze levensfase voor velen een dagelijkse vorm van bewegen. Veel kinderen in deze leeftijdsgroep zijn lid van een sportvereniging.

  • Ten eerste kan dit komen doordat veel verenigingen gericht leden werven in deze leeftijdsgroep en hiervoor ook een geschikte aanbod hebben.
  • Ten tweede is het denkbaar dat ouders de voorkeur geven aan sporten in verenigingsverband (meest geschikt sportaanbod met het oog op kosten, tijd, cultuur etc.) Het is dan ook logisch dat de meest populaire sporten ook beoefend worden in verenigingsverband.

Wanneer een kind in zijn jeugd aan sport doet, vergroot dat de kans om als volwassene te starten met een sport met 16,9% ten opzichte van een volwassene die als kind niet aan sport deed. Het is daarom van groot belang dat gemeenten en sportbonden voldoende aandacht blijven besteden aan sportparticipatie van kinderen.

Dat er meer tijd zittend wordt doorgebracht in de leeftijd van 8-12 jaar dan 4-8 jarigen, kan mogelijk verklaard worden doordat zij ten opzichte van 4-8 jarigen minder tijd slapen in een etmaal. Ook hebben zij gemiddeld meer lesuren op de basisschool per week. Deze lesuren worden ook vaker ‘niet-actief’ ingevuld. Daarnaast doet de (dagelijkse) niet-actieve bezigheid ‘schermtijd’ via een tablet, telefoon of computer steeds meer zijn intrede in deze leeftijdsgroep. Tenslotte heeft de bovenbouw van de basisschool steeds vaker huiswerk, wat de zittijd vergroot.

Puberteit 12 tot 18 jaar: veel zitten, lagere sportdeelname en sportlidmaatschap

Interpretatie van de cijfers

De middelbare school tijd is een uitdagende fase. Vaak wonen 12-18 jarigen nog thuis. Niet alleen zorgt de overgang naar de middelbare school, en eventueel daarna naar een Mbo-opleiding voor een ander ritme.

Ook de puberteit en ontwikkelingen in de eigen identiteit zorgen dikwijls voor een verandering in bezigheden, motieven en afwegingen. Denk aan huiswerk, meer tijd doorbrengen met vrienden of het krijgen van verkering. Na slapen en eten en vrije tijd, vult school een belangrijk deel van de tijd. Ook wordt door 15-18 jarigen steeds meer tijd besteed aan bijbaantjes.

De lagere percentages wekelijks sporten, verenigingslidmaatschap en combinorm voor deze leeftijdsgroep vergeleken met 8-12 jarigen, zijn mogelijk te verklaren door deze veranderingen op schoolgebied, de invloed van de pubertijd en ontwikkelingen in de eigen identiteit. Met name het aantal minuten fietsen per week stijgt sterk in deze groep. Dit komt doordat veel jongeren op en neer fietsen naar de middelbare school, die vaak verder weg ligt dan de basisschool.

Jongvolwassenen 18 tot 25 jaar: minder fietsen, veel zitten

Interpretatie van de cijfers

De overgang naar volwassenheid luidt een drukke levensfase in waarin carrière (opleiding en werk), zelfstandig(er) wonen, partnerschap en gezin(stichting) hoog in het vaandel staan. Wat betreft jongvolwassenen tussen de 18 en 25 jaar gaat een groot deel zelfstandig(er) wonen. Een deel hiervan start in deze levensfase met een eerste ‘echte’ baan. Een ander deel doorloopt een HBO- of WO-opleiding (vaak in combinatie met een bijbaan).

Door de verplichtingen, verantwoordelijkheden en drukte die dit met zich meebrengt komt sport gemakkelijk in de knel. Zeker wanneer de beoefening ervan ook veel verplichtingen, verantwoordelijkheden en tijd vergt. Dit zou de grote afname onder jongvolwassenen kunnen verklaren in met name het percentage verenigingslidmaatschap. En ook de meer dan verdubbelde populariteit van fitness- en conditietraining (wat gemakkelijker is in te passen in een druk leven dan een verenigingssport).

Het percentage dat voldoet aan de combinorm is vanaf 18 jaar een stuk hoger dan de groep 12-18 jarigen. Dit komt deels doordat vanaf 18 jaar de eisen om te voldoen aan de combinorm lager liggen dan onder de 18 jaar (zie tabel 1: Criteria NNGB, Fitnorm en Combinorm).

Het aantal minuten dat besteed wordt aan fietsen in de vrije tijd is daarentegen een stuk lager dan 12-18 jarigen. Dit kan grotendeels komen omdat de afstand tussen huis en opleiding of werk veranderd en op een andere manier wordt overbrugd. Veel jongvolwassenen die ver van hun opleiding of werk af wonen, reizen met openbaar vervoer of auto. Anderen gaan relatief dichtbij hun opleiding of werk wonen, waardoor reis-/fietsafstanden kleiner worden. Ook is het is in deze levensfase gebruikelijk om te starten met rijles en is een groot deel van deze leeftijdsgroep in het bezit van een rijbewijs.

25 tot 35 jaar: wandelen en tuinieren in opmars

Interpretatie van de cijfers

Deze leeftijdsfase kenmerkt zich veelal door de start van een de professionele carrière, samenwonen/trouwen, het krijgen van een eerste kind (gemiddeld krijgen vrouwen op 29,4 jarige leeftijd hun eerste kind) en het kopen/huren van een eerste huis. Dit zijn belangrijke levensgebeurtenissen die in vergelijking met de vorige levensfase tot nog meer verplichtingen, verantwoordelijkheden en tijdsrestricties leiden en daardoor veel invloed kunnen hebben op de keuze om te (blijven) sporten of bewegen.

Dit zien we terug in de afname van sport en bewegen (wekelijks sporten, verenigingslidmaatschap en combinorm), die zich doorzet onder volwassenen in de leeftijd 25-35 jaar. Vooral het lidmaatmaatschap van de sportvereniging is in deze leeftijdsgroep lager dan 18-25 jarigen. Hardlopen is gestegen in populariteit naar plek 2, ten koste van de meest populaire verenigingssport voetbal.

Het aantal minuten dat aan tuinieren wordt besteed, is meer dan het dubbele van de leeftijdsgroep 18-25 jaar. Waarschijnlijk doordat het percentage huisbezitters (huur of koop, met tuin) in deze levensfase groter is dan in de vorige fase.

Het aantal minuten wandelen overschrijdt in deze levensfase het aantal minuten dat wordt besteed aan fietsen.

Deze veranderingen in de sport- en beweegcijfers zijn mogelijk te verklaren doordat het leven zich weer meer in en rond huis (het gezin) afspeelt.

35 tot 45 jaar: minder tijd besteed aan sporten

Interpretatie van de cijfers

In de middelbare leeftijd van 35-45 jaar is vaak nog steeds de drukte van werk en gezin aanwezig zoals aangegeven bij de levensfase 25-35 jaar. In deze fase vindt vaak een verandering van baan of van huis plaats. Tenslotte hebben ouders nog vaak thuiswonende kinderen. In deze leeftijdsgroep zijn de beweegcijfers wederom lager.

Voetbal maakt voor het eerst geen deel meer uit van de top-3 meest beoefende sporten, vergeleken met jongere leeftijdsgroepen. Deze leeftijdsgroep lijkt nog meer dan de groep 25-25 jarigen te kiezen voor een vorm van sportbeoefening die flexibel is in het moment waarop deze beoefend kan worden.

Daarnaast hebben verplichtingen, verantwoordelijkheden en tijdsrestricties zoals beschreven bij de 25-35 jarigen ook in deze leeftijdsgroep invloed op de sport- en beweegcijfers.

45 tot 55 jaar: sportdeelname lager, lidmaatschap stabiel laag

Interpretatie van de cijfers

In de levensfase van 45-55 jaar zien we veel gezinnen met oudere kinderen die op een bepaald moment het ouderlijk huis verlaten. Ouders in deze levensfase krijgen hierdoor relatief meer tijd voor zichzelf. Te weinig tijd door gezinsverantwoordelijkheden valt onder deze groep dan ook niet meer onder de meest voorkomende stopmotieven voor sporten. Een nieuw stopmotief dat genoemd wordt in deze levensfase is “te weinig tijd door andere vrijetijdsbesteding’’.

De zorg voor de eigen ouders doet in de levensfase ook zijn intrede. 45% van de mantelzorgers is tussen de 45 en 65 jaar (2015).

De bijdrage van fietsen aan het totaal aan activiteiten in een week is onder deze leeftijdsgroep ook een half uur per week hoger dan bij 35-45 jarigen. Dit wordt grotendeels verklaard doordat er in deze leeftijdsgroep meer wordt gefietst in de vrije tijd dan de groep 35 tot 45 jarigen.

55 tot 67 jaar: wandelen en fietsen belangrijkste beweegactiviteiten

Interpretatie van de cijfers

Chronische aandoeningen doen steeds meer hun intrede in deze leeftijdsgroep (CBS 2015). Deze aandoeningen hebben steeds vaker invloed op het sport- en beweeggedrag. Veel mensen in deze leeftijdsgroep werken nog en een deel wordt voor het eerst grootouder. Vrijwel alle kinderen zijn in deze levensfase uit huis.  Ook in deze levensfase wordt vaker tijd besteed aan de zorg voor eigen ouders dan in de leeftijdsgroepen onder de 45 jaar.

Vanaf 55 jaar is het percentage dat de combinorm haalt fors hoger, wat deels een gevolg is van de eerder genoemde lagere criteria die vanaf 55 jaar gelden voor het behalen van de combinorm (tabel 1). De top 3 van de populaire sporten bestaat voor het eerst uit merendeels recreatieve vormen van sport en bewegen: sporten als wandelen en fietsen worden na fitness- en conditietraining het meest beoefend.

Het meest genoemde stopmotief voor sporten in deze levensfase is (fysieke) beperkingen. Door lichamelijke klachten wordt het lastiger om te sporten. Hierbij kan het van belang zijn te focussen op wat mensen wel kunnen en mogelijk meer te richten op minder intensieve bewegingsvormen.

Een nieuw motief dat genoemd wordt in deze groep om te starten met sporten is dan ook een aangepast sport- en beweegaanbod voor mensen met lichamelijke problemen. Het aantal minuten dat wordt besteed aan tuinieren is sterk hoger in deze levensfase.

67 t/m 80 jaar: minder lichamelijk actief; tuinieren populair

Interpretatie van de cijfers

Chronische aandoeningen en (fysieke) beperkingen komen steeds meer voor onder 67 plussers (CBS 2015).

Verder gaan velen in deze leeftijd met pensioen en krijgen zij plotseling veel meer vrije tijd. Deze vrije tijd besteden ze veelal aan kleinkinderen, sociale activiteiten, vrijwilligerswerk, hobby’s etc. Ook de zorg voor naasten neemt in deze fase duidelijk toe. Tijd besteed aan tuinieren per week heeft in deze levensfase in vergelijking met andere levensfasen het hoogste aantal minuten.

Opvallend is het relatief laag aantal uren zitten op een dag. Deels zou de overgang van (zittend) werk naar meer vrije tijd hiermee te maken kunnen hebben.

Ouderen sporten over het algemeen minder. Het ouder worden zorgt ervoor dat inspanning meer energie kost. Door het activiteitenaanbod zo goed mogelijk aan te laten sluiten op deze levensfase, het niveau en de interesse is het mogelijk om tot op hoge leeftijd te (blijven) sporten en bewegen.

Sportbeleid per levensfase

Dit artikel schetst de sport-, beweeg en zitcijfers per levensfase. Een beschrijving per levensfase helpt om meer gedifferentieerd naar sport en bewegen te kijken. Met een meer levensfasegericht sportbeleid kan een gemeente beter inspelen op de sport- en beweegbehoefte en het daarbij passende sport- en beweegaanbod. Dit vergroot  de kans op een hogere sport- en beweegparticipatie. Inspiratie nodig hoe dit kan worden toegepast in de praktijk?

Meer lezen:

Overzicht (RIVM) van motieven en belemmeringen voor verschillende doelgroepen:

Dit artikel is geschreven met speciale dank aan Melissa Kolhorn (gemeente Tilburg).

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou