Alles over sport logo

Arbeidsparticipatie en sport: verbinden van wetenschap en praktijk

Gemeenten ondersteunen werkloze burgers onder andere met re-integratietrajecten. Voor de effectiviteit van die trajecten is wetenschappelijk nog onvoldoende bewijs, ook als het gaat om de inzet van sport en bewegen daarbij. Succesverhalen uit de praktijk tonen echter aan dat die inzet van sport de arbeidsparticipatie wel verbetert. Geeske van Asperen pleit daarom voor meer onderzoek en geeft met dit artikel alvast een voorzet door wat wetenschappelijk al wel bekend is te verbinden met de goede voorbeelden uit de praktijk.

Gemeenten hebben in de afgelopen jaren steeds meer verantwoordelijkheden gekregen rondom werk, inkomen en participatie van hun burgers. Re-integratietrajecten maken deel uit van de ondersteuning die gemeenten aan werkloze burgers bieden. Maar er is onvoldoende bekend over de effectiviteit van re-ïntegratieaanpakken: Wat werkt, voor wie, wanneer? Om op deze vragen een antwoord te kunnen geven heeft het Ministerie van SZW een kennisprogramma opgezet dat kennis moet opleveren voor bestuur/management, beleidsmakers en mensen in de uitvoering. Als onderdeel van dit kennisprogramma heeft TNO met een quickscan onderzocht wat er in de wetenschap al bekend is over de effectiviteit van re-integratie en welke factoren deze effectiviteit kunnen beïnvloeden. De rol van sport en bewegen komt binnen deze quickscan kort aan bod. Op basis van de twee gevonden wetenschappelijke artikelen stelt TNO dat er “…geen eenduidige conclusie [is] te trekken ten aanzien van het versterken van fysieke fitheid en het vinden van werk.”

Vanuit wetenschappelijk perspectief is dit een logische conclusie. Het doel van deze quickscan is echter om inzicht te leveren in kennislacunes op het gebied van effectiviteit van re-integratieaanpakken en op basis daarvan nieuwe kennis te ontwikkelen. Het feit dat er een kennislacune is op het gebied van sport en re-integratie moet dus juist een stimulans zijn om er onderzoek naar te gaan doen. Temeer omdat de praktijk veel succesverhalen laat zien. Zo kopte Trouw in september 2015 ‘Werklozen rennen zich uit de bijstand’, schreef de Stentor een maand eerder ‘Bankhanger sport zich naar een baan in Kampen’ en analyseerde Carlijn van Houselt in een artikel acht door Kenniscentrum Sport verzamelde praktijkvoorbeelden op het gebied van sport, bewegen en (arbeids)participatie. Hoofdconclusie: “De sport biedt legio mogelijkheden om mensen te helpen naar meer maatschappelijke en arbeidsparticipatie.”

Kortom, de praktijk laat zien dat sport en bewegen potentie heeft om ingezet te worden binnen arbeidsre-integratie, maar wetenschappelijk bewijs ontbreekt. Desondanks levert het verbinden van al bestaande wetenschappelijke inzichten met de ervaring in de praktijk nu al interessante inzichten op. In dit artikel wordt daarom de verbinding gelegd tussen de wetenschappelijke literatuur rondom effectiviteit van arbeidsre-integratie en de goede voorbeelden uit de praktijk. Op die manier ontstaat een genuanceerder beeld over de rol die sport en bewegen kan spelen binnen arbeidsre-integratie dan op basis van de quickscan naar voren komt. Daarnaast biedt het verbinden van wetenschap en praktijk zicht op aanknopingspunten voor huidige sportaanpakken op het gebied van re-integratie om deze nog effectiever te maken.

Quickscan TNO: stand van zaken van de wetenschap

In het voorgaande is gekeken wat er wetenschappelijk bekend is over het effectief inzetten van re-integratietrajecten en hoe de voorbeelden in de praktijk zich hiertoe verhouden. Samengevat komen hier vier ‘theorielessen’ uit naar voren:

  • Werkskills & softskills: scholing en werkervaringsplekken moeten op maat zijn (om uitval van deelnemers te voorkomen) en een combinatie van werkskills en softskills bevatten.
  • Pas op voor het locked in-effect. Zorg dat er een prikkel blijft voor de deelnemer om een baan te willen vinden als dat mogelijk is.
  • Belemmeringen ‘stapelen’ en komen in samenhang voor. Eén belemmering aanpakken heeft daarmee weinig zin. Het wegnemen van belemmeringen is lastig, omdat er vaak sprake is van multiproblematiek. Aanknopingspunten zijn:
    • organiseer een goede diagnostiek in combinatie met een aanpak waarbij alle (beïnvloedbare) belemmeringen worden aangepakt;
    • place first then train. Dit is vooral effectief bij laagopgeleiden en als de problematiek dusdanig complex is dat het moeilijk is om vooraf in te schatten welke ondersteuning exact nodig is.
  • Het belang van de inzet van sociale netwerken bij het vinden van een baan is groot. Aanpakken waarbij het sociale netwerk actief wordt ingezet bij het zoeken naar een baan zijn kansrijk.

De acht goede voorbeelden uit de praktijk laten zien dat bovenstaande ‘lessen’ al veel worden toegepast in de praktijk. Hoewel verder onderzoek natuurlijk nodig is (zie inleiding) lijken de beschreven projecten dus in potentie effectief te zijn in hun aanpak. Daarnaast leveren de praktijkvoorbeelden twee nieuwe ‘lessen’ op die in de theorie nog weinig aandacht krijgen, maar in de praktijk succesfactoren blijken te zijn:

  • Groepsaanpak: aanpakken waarin werklozen met een groep gelijkgestemden een traject ingaan zorgen in het begin voor herkenning en veiligheid, maar op termijn ook voor een groepsgevoel en motivatie bij deelnemers. Starten vanuit een groepsaanpak, met daarbij voldoende ruimte voor een persoonlijke invulling, kan bijdragen aan de motivatie van deelnemers om het traject vol te houden.
  • Het rolmodel: een rolmodel inzetten is een krachtige manier om (vooral jongere) werklozen te stimuleren. Feyenoord Jobscorer zegt bijvoorbeeld: “Wij zijn een strenge maar loyale leermeester.” Ook uit de theorie blijkt dat ‘een stok beter werkt dan een wortel’ (De Koning, 2012). Kritiek krijgen en geven is onderdeel van (top)sport. Topsporters hebben bij jongeren vaak het aanzien om hen te confronteren met hun gedrag en kunnen daarom, zeker bij moeilijke groepen, als een soort breekijzer fungeren.

Breder perspectief

In wetenschappelijke literatuur zoals hier beschreven is een effectieve interventie een interventie die leidt naar werk. Deze insteek is om twee redenen eigenlijk te smal:

  1. Breder maatschappelijk doel: participatie in plaats van re-integratie.
    Bij de vertaalslag van theorie naar praktijk, zoals deze in voorgaande alinea’s gemaakt is, is al beschreven dat veel praktijkaanpakken die zich richten op het wegnemen van belemmeringen het vinden van een baan niet als primair doel zien. Werklozen uit een isolement halen en weer sociaal activeren kan een net zo waardevol doel zijn, voor de werkloze zelf, maar ook voor andere partijen. Dit komt ook naar voren uit het Beleidsondersteunend Rekenmodel (BOR) dat Kenniscentrum Sport (toen nog NISB) in 2014 heeft ontwikkeld. Uit dit BOR blijkt bijvoorbeeld dat het doorbreken van een sociaal isolement leidt tot een daling in zorgkosten, waar zorgverzekeraars weer van profiteren. Daarnaast leveren werkervaringsplekken bij verenigingen bijvoorbeeld extra ‘handjes’ op om het sportterrein te onderhouden. Tot slot geldt natuurlijk dat in de huidige participatiesamenleving ‘meedoen’ belangrijk is. Met andere woorden: ook een interventie die niet resulteert in een baan kan maatschappelijk heel waardevol zijn!
  2. Winst voor de sportsector.
    Dat sport en bewegen de re-integratiesector iets te bieden heeft blijkt uit dit artikel. Maar ook andersom is het waardevol. Want: ‘What is in it for the sport?’ In de praktijk blijkt dit in verschillende zaken te zitten: extra financiële ruimte, extra ‘vrijwilligers’ op en rond de accommodatie, meer leden, een betere en multifunctionele bezetting van de accommodatie of professionalisering van de sport door de samenwerking met (en scholing door) professionals vanuit andere domeinen. Kortom, ook de sportsector kan ervan profiteren als sport en bewegen een plek krijgt binnen arbeidsre-integratie.

Gebruikte bronnen

Toelichting handelingsperspectieven Wanberg et al 2002
Toelichting handelingsperspectieven Wanberg et al 2002

Artikelen uitgelicht


Beleid
Sportaanbieders
professional
praktijkvoorbeeld
monitoring en evaluatie