Zo breng je sport naar het hart van het sociale domein | Alles over sport

Zo breng je sport naar het hart van het sociale domein

Interview

geplaatst op: 18 mei 2017

Margriet van Schaik begeleidt gemeenten in hun zoektocht naar hoe zij sport meer kunnen inzetten in het sociale domein. “Veel projecten zijn nu niet altijd gebaseerd op de behoefte uit het veld.”

Dit is een verhaal over de zoektocht van gemeenten om sport en bewegen meer te benutten in het sociale domein. Het gaat ook over samenwerking, integraal beleid en bijbehorende keuzes maken. Verteld door Margriet van Schaik van NOC*NSF en MOTION; zij adviseert en begeleidt meerdere gemeenten in deze zoektocht.

Waarom vinden gemeenten het lastig om sport met andere domeinen te verbinden?

“Er zijn zeker succesvolle voorbeelden, maar veel gemeenten worstelen er nog mee. Dat komt doordat hun wereld ontzettend in verandering is, omdat gemeenten er veel taken bij gekregen hebben en het vaak met minder geld moeten doen. Er is een eeuwige strijd om financiering. Ook veranderde de rol van de gemeente van uitvoerder meer naar regiehouder.”

Over welke domeinen hebben we het?

“Over het algemeen kijken we naar beleid dat te maken heeft met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), en met Gezondheid, Jeugd, Onderwijs, Werk en Inkomen, Participatie, Zorg en soms ook met Openbare Ruimte en Duurzaamheid.”

“Om in sporttermen te blijven: er is behoefte aan een brede kennis van het gehele speelveld en de spelers in het veld. En dan bedoel ik niet alleen in het speelveld buiten, maar ook binnen het gemeentehuis. Daar wordt te veel gewerkt vanuit het eigen probleem of de eigen koker, in plaats van vanuit een integrale benadering. Door het gebrek daaraan staat de continuïteit van de reeds effectieve sport- en beweeginterventies onder druk.”

Hoe zou je jouw rol omschrijven?

“Mijn rol is schetsen waar keuzes gemaakt moeten worden, focus aanbrengen indien een gemeente die uit het oog verliest, en het begeleiden van het proces om tot zo’n integrale benadering te komen. Dat is geen hogere wiskunde, maar de daadwerkelijke verbinding van sport en zorg is echt een taai vraagstuk.
Daarnaast kan ik als inhoudelijk expert een rol vervullen door kennis over dit vraagstuk te delen: door te vertellen hoe andere gemeenten oplossingen hebben bedacht voor bepaalde uitdagingen.”

Hoe help jij een gemeente aan zo’n integrale benadering van sport in het sociale domein?

“In het kennismakingsgesprek krijg ik vaak al een goed beeld van de aanwezige kennis op dit thema. Op basis daarvan en de wensen en behoeften van de gemeente maak ik een adviestraject; dat is maatwerk. Denk bijvoorbeeld aan procesbegeleiding van een projectteam dat zich binnen een gemeente op dit thema inzet. Een ander voorbeeld is de ondersteuning van een sportambtenaar door als sparringpartner te dienen of door hem of haar te helpen bij de voorbereiding van verschillende sessies.”

Hoe kunnen gemeenten van elkaar leren, als het maatwerk is?

“We doorlopen bij elke gemeente op hoofdlijnen dezelfde stappen en methodiek.”

Wat is de eerste stap?

“De eerste fase van mijn aanpak zit vooral in het inzichtelijk maken waar de gemeente staat als het gaat om de koppeling tussen sport en zorg. Ik noem dit ook wel de analysefase.
Deze fase is opgesplitst in een analyse van wat er in de praktijk allemaal gebeurt en een analyse van wat er op strategisch niveau speelt. Dat noem ik vaak ‘buiten het gemeentehuis’ en ‘in binnen het gemeentehuis’. We beginnen vaak met het eerste, met een analyse van wat er ‘buiten het gemeentehuis’ gebeurt.”

Hoe analyseer je wat er in de gemeente al gebeurt aan sport buiten het gemeentehuis?

“Wij kijken naar het huidige aanbod en de investering die de gemeente doet in het zogenaamde ‘toeleiden’ naar sport en bewegen.
Daarnaast kijken we naar de reeds bestaande succesvolle projecten, naar de lokale infrastructuur en naar de lokale netwerken in die gemeente, naar de zogeheten sociale of maatschappelijke infrastructuur.”

En hoe analyseer je wat er binnen het gemeentehuis gebeurt op het beleidsterrein sport?

“Dan kijken we meer naar de strategische vraagstukken. Of er bijvoorbeeld een integrale beleidsnota is, en welke gezamenlijke maatschappelijke doelen er zijn. Ook kijken we of sport als middel gezamenlijk gefinancierd wordt vanuit diverse domeinen en of dit dan structurele gelden zijn of incidentele subsidies. Ten slotte kijken we hoe de overlegstructuur is ingericht en of sport logischerwijs op de juiste plek aan tafel zit.”

Je kijkt dus vooral kritisch of het aanbod van sport en bewegen wel aansluit op de vraag van burgers. Wat is je zoal opgevallen?

“Ik zie bij diverse gemeenten dat er vaak een zeer grote focus ligt op jeugd. Daar liggen niet altijd argumenten als urgentie, noodzaak of inzichten in problematiek aan ten grondslag. Het is eerder organisch zo gegroeid.
Ook zie ik dat echt vraaggericht sport- en beweegaanbod maken een hele uitdaging is. Veel projecten zijn nog erg subsidiegedreven en niet altijd gebaseerd op de behoefte uit het veld.
Verder worden veel gegevens over waar ouderen en bewoners met een lage sociaal-economische status wonen niet gebruikt om te kijken waar behoefte zou kunnen zijn aan een laagdrempelig sport- en beweegaanbod. Tot slot mist men goed contact met de zorgprofessionals in de wijk, die vaak veel beter weten welk aanbod nog mist en waar behoefte aan is.”

Welke conclusie trek je daaruit?

“Er is in elke gemeente een grote groep mensen die kampt met verschillende problemen, waaronder gezondheidsproblemen. De uitdaging is deze toe te leiden naar de juiste sport- en beweegarrangementen in de buurt of wijk.
We realiseren ons dat er in gemeenten een zeer divers aanbod aan buurtactiviteiten is waarvan sport en bewegen een onderdeel van is, net zoals cultuur. Maar het blijkt dat veel bewoners extra begeleiding nodig hebben om de stap naar sport- en beweegarrangementen te maken. Sommige mensen moeten echt aan de hand meegenomen worden.
In dit toeleiden naar aanbod in de buurt en wijk investeren veel gemeenten nog niet structureel. De buurtsportcoach is een stap in de goede richting, maar is nog erg gericht op jeugd.”

Je brengt ook het beleid van de gemeente in kaart, op dit terrein. Hoe doe je dat?

“Veel gemeenten hebben aparte beleidsnota’s voor verschillende domeinen. Ik kijk vooral naar de gezamenlijke doelstellingen die er te vinden zijn in de diverse nota’s. Maar vooral ook of de diverse beleidsnota’s gelinkt zijn aan elkaar. Wordt er bijvoorbeeld voor het thema eenzaamheid binnen een gemeente ook de link gelegd met sport en bewegen?
Soms zie ik nieuwe sportnota’s die enorm ambitieus zijn; er wordt veel ingezet op sport als middel. Echt realistisch zijn deze plannen niet, omdat het eigenlijk onmogelijk is al die ambities te bereiken zonder een goede samenwerking tussen de diverse afdelingen.
Daarnaast bekijk ik ook met gemeenten hoe dit dan gefinancierd wordt. Om een beeld te krijgen van het gebruik van bestaande budgetten. Zo worden veel interventies gefinancierd uit allerlei verschillende incidentele potjes. Zelfs bij bewezen effectiviteit verdwijnt na de projectperiode uiteindelijk het merendeel van deze interventies, onder andere doordat geen financiering meer gevonden kan worden. Het zou mooi zijn als vooraf is nagedacht welke domeinen zich verantwoordelijk voelen deze interventie op te nemen in de structurele subsidiëring of inkoop.”

Daarnaast kijk je naar de lokale infrastructuur en het lokale netwerk. Gaat dat over sportaccommodaties of gaat dat ook over welzijn en zorg, buurthuizen en zorginstellingen?

“Als ik met gemeenten praat over de lokale infrastructuur heb ik het altijd over al het maatschappelijke vastgoed. Wij kijken of er al sportaccommodaties zijn die gebruikt worden als buurthuis; of er al open clubs zijn die een rol pakken in het maatschappelijk speelveld; en of er buurtinitiatieven zijn die gaan over gezond opgroeien.
Minstens zo interessant is te kijken naar het lokale netwerk dat gebruikt wordt voor bewoners met een zorg- of ondersteuningsvraag. Veel gemeenten proberen steeds meer te werken met sleutelfiguren die de schakel kunnen zijn tussen de formele en informele netwerken. Denk aan welzijnscoaches en beweegcoaches.”

Wanneer zie jij kansen bij een gemeente?

“Wanneer ik bijvoorbeeld zie dat sportmedewerkers binnen het sociaal domein niet op het juiste moment aan tafel zitten. Er zijn vaak beleidsmedewerkers van andere afdelingen die aangeven dat ze niet altijd aan sport denken. En dat ze veel meer mogelijkheden zien nu ze een aantal keer bij elkaar gezeten hebben.
Een ander voorbeeld is een gemeente die erachter kwam dat het inkopen van dagbesteding bij een sport- en beweegaanbieder financieel gunstiger was dan bij de reeds bestaande aanbieder. Dan heb je het niet over een sportorganisatie die enkel op vrijwilligers draait, maar over sport- en beweegaanbieders die met betaalde krachten hier een rol in kunnen spelen.
Juist dit soort kansen komen in beeld als beleidsambtenaren samen gaan kijken naar mogelijkheden. Ik zou het bijvoorbeeld mooi vinden als gemeenten bij de inkoop van dagbesteding een bepaald percentage binnen het sportdomein plaats laten vinden. Dit soort gesprekken tussen de diverse beleidsmedewerkers zijn zeer boeiend.
Ik merk dat beleidsambtenaren het lastig vinden om een keuzes te maken tussen interventies en organisaties die men gaat inzetten of inkoopt. Ik zie collega’s elkaar bevragen of de interventie het doel dat je beoogt ook daadwerkelijk haalt. Het lijkt dan ook alsof men kritischer is op ‘nieuwe’ interventies dan op interventies die men al inzet. Ik vraag de betrokken collega’s geregeld naar de bereidheid om te veranderen. Als men elkaar steeds moet overtuigen van het belang om meer sport- en beweeginterventies in te zetten is men kennelijk nog niet overtuigd van de meerwaarde. Of is er onvoldoende bereidheid om te veranderen? Keuzes maken betekent ook dat dat je daardoor op sommige activiteiten moeten minderen.”

Hoe trek je conclusies uit de analyse?

“Het is natuurlijk vooral de bedoeling dat de desbetreffende gemeente conclusies trekt. Maar de analyse geeft eigenlijk al zo veel inzicht dat we in de vervolgfase doelen gaan formuleren om de verandering in gang te zetten. Voor de diverse beleidsmedewerkers is na de gesprekken er al zo veel wederzijds begrip dat vaak de conclusie is dat ze elkaar moeten blijven ontmoeten om sport als middel beter te benutten. Het besef is groot dat sport af en toe ten onrechte vergeten wordt.”

Wie formuleert vervolgens die doelen?

“Dat doen de gemeenten zelf. Zij geven richting aan de verandering. Om de structuur en het overzicht te behouden proberen mijn collega’s en ik dit proces te begeleiden en formuleren we doelen die in het verlengde liggen van de eerdere analyse. Zo komt er een plan voor alles ‘buiten de gemeente’ en een apart plan voor ‘binnen de gemeente’.”

Kun je voorbeelden geven van zulke doelen?

“Een doel kan zijn dat een gemeente meer FTE inzet om kwetsbare doelgroepen te leiden naar sport en beweegaanbod. Dat kan betekenen dat er andere keuzes gemaakt moeten worden en dat het personeel andere competenties moet hebben.
Een heel concreet ander doel is het creëren van aanbod in een buurt of wijk waar laagdrempelig aanbod achterbleef op basis van de analyse.
Een voorbeeld van een doel op meer strategisch niveau is om een doelenmatrix te maken met de diverse afdelingen. Hiermee wordt heel overzichtelijk gemaakt wie welke maatschappelijke doelen nastreeft. Ook wordt visueel gemaakt op welke terreinen samenwerking kansen kan bieden. Dat is een opstap naar meer integraal werken.”

Hoe betrek je Kenniscentrum Sport bij dit traject?

“Ik merk dat Kenniscentrum Sport zeer veel kennis heeft over het vraagstuk sport en bewegen in het sociaal domein. Samen proberen we naar aanleiding van de vragen en behoeftes uit de diverse gemeenten te kijken wat er nog meer nodig is om gemeenten te helpen deze transitie verder vorm te geven. Ook willen we samen een aantal voorbeeldaanpakken en interventies opleveren.”

Auteurs:

Kenniscentrum Sport
Kenniscentrum Sport

Bewaren:

Bewaren

Gerelateerde artikelen

Anderen bekeken ook