Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Sport Toekomstverkenning: reacties uit het veld - 2

Artikel

In september verscheen de Sport Toekomstverkenning, waarin de toekomst van sport en bewegen in Nederland verkend wordt. Het is bedoeld voor ministeries, landelijke sportorganisaties, verenigingen, gemeenten en andere belanghebbenden om hun gedachten over de toekomst van sport en bewegen te scherpen. Kenniscentrum Sport maakte een rondgang langs verschillende personen die hun input gaven aan deze verkenning, van praktijkmensen tot wetenschappers en van ex-topsporters tot beleidsmakers om te horen wat zij van de rapportage vinden. In twee delen lees je hun reacties, hierbij deel 2: Maurits Hendriks (technisch directeur NOC*NSF), Jim Lo-A-Njoe (lecturer Sportkunde), Hugo van der Poel (directeur Mulier Instituut), Corniel Groenen (gemeente ´s-Hertogenbosch) en Dick Zeegers (directeur Stichting Waarborgfonds Sport).

Lees hier het 1e deel met reacties van André de Jeu (directeur VSG), Esther Vergeer (oud-topatleet), Ronald Wouters (NLActief) en Dirk-Jan Soelen (buurtsportcoach).

Maurits Hendriks, technisch directeur NOC*NSF

“De makers van het rapport hebben op een hele goede manier onderbouwd dat Nederland als topsportland de laatste tien jaar op een hoger niveau presteert dan je op basis van een aantal criteria, zoals inwonertal, zou mogen verwachten. Er wordt gesproken van een grote efficiëntie en een groot rendement. Het focusbeleid van NOC*NSF wordt genoemd als hele belangrijke bijdrage aan het feit dat Nederland op dat niveau presteert – op zowel individueel niveau, met de teamsporten, bij de vrouwen én de mannen, in de paralympische en reguliere topsport. Daar mogen we buitengewoon trots op zijn.

De opstellers van het rapport zien ook dat de verschillen tussen winst en verlies in alle sporten steeds kleiner worden. Om het verschil te blijven maken, is verfijning en verdieping van de inspanningen vereist. We moeten onze coaches steeds beter maken, de begeleiding moet beter, we moeten de sporters steeds weerbaarder maken. Dat zijn natuurlijk hele intensieve trajecten. En intussen zijn er andere landen die steeds meer investeren in topsport.

Ik zie deze verkenning als een heel belangrijk signaal dat we deze ontwikkeling niet moeten onderschatten, dat de unieke positie die Nederland nu bezit in de wereld, niet vanzelfsprekend is. Dit signaal moet dus duidelijk geagendeerd worden. Maar we moeten niet ééndimensionaal naar funding kijken, met de blik gericht op de rijksoverheid. Want als het gaat om het opzetten van regionale talentencentra, dan ligt daar bijvoorbeeld ook een hele duidelijke rol voor lokale overheden. Ik denk ook dat we heel nadrukkelijk met het bedrijfsleven in gesprek moeten gaan. Want investeringen vanuit die hoek zijn het afgelopen decennium afgenomen, zowel op breedte- als op topsportniveau. Daarnaast is het voor de sport cruciaal dat de kansspelinkomsten weer gaan groeien. En het gaat niet alleen om funding. Het is bijvoorbeeld ook belangrijk dat met het ministerie van OCW goede afspraken over onderwijs voor topsporters gemaakt worden.

Als ik kijk naar de afgelopen acht jaar, kan ik alleen maar zeggen dat onze samenwerking met het Ministerie van VWS en Minister Schippers een buitengewoon productieve is geweest. De rijksoverheid heeft de laatste acht jaar thuis gegeven op elke ontwikkeling en elk thema dat we geagendeerd hebben. Neem alleen al het feit dat er structureel 10 miljoen op de begroting voor topsport is bijgekomen. Maar het staat buiten kijf dat we met z’n allen moeten bekijken hoe de topsportbegroting verder omhoog kan, omdat we anders de concurrentiestrijd niet winnen. Dit is ook een van de redenen waarom we met de sportbonden in gesprek zijn gegaan om TeamNL in het leven te roepen, waarmee we een gezamenlijke uitstraling naar de samenleving hebben. Waardoor hopelijk ook de funding voor de toekomst kunnen zeker stellen. Het is geen enkel land ooit gelukt om de sport zo te verenigen. Dat is een geweldige kans; niet alleen voor de sporters en de coaches, maar voor heel Nederland.

> Naar website NOC*NSF

Jim Lo-A-Njoe, senior lecturer Sportkunde aan het Instituut voor Sport Studies, Hanzehogeschool Groningen

“Ik ben blij met deze verkenning, en dan met name met de vier geschetste perspectieven. In verschillende contexten zullen die zeker bijdragen aan een andere, bredere kijk op sport. Mijn eerstejaars studenten zijn vaak gek op sport en ze zijn er ook goed in, maar ze hebben vaak een smal beeld van wat sport inhoudt. Ze sporten bij een vereniging en zien sport vooral als doel. Onze visie is dat de kracht van sport juist ook ingezet kan worden als middel, door gebruik te maken van de economische, sociaal-maatschappelijke en de gezondheidswaarde van sport. De STV sluit daar perfect op aan en helpt ons om studenten te leren inzien dat de definitie van sport verschillend is binnen elk perspectief. Dat bijvoorbeeld de meerderheid van de Nederlanders niet in verenigingsverband sport is voor hen echt een eyeopener. Net als dat urban- en adventure sporten, zoals klimmen, skateboarden en surfen en bijbehorende events, sterk in opkomst zijn – al had dat laatste wel meer naar voren kunnen komen in het rapport. Ook op andere niveaus, bijvoorbeeld in sportbeleid en in de politiek, is die bredere kijk op wat sport is, gewenst. Ik denk dat deze verkenning daarbij helpt.

Wat mij betreft had ook nog wat meer benadrukt mogen worden dat de overheid gewend is om vooral de traditionele, georganiseerde sport te ondersteunen en te waarderen. Daarbij wordt eraan voorbijgegaan dat er heel veel sportondernemers zijn, zowel kleine als grote, die waarde toevoegen aan de sport in Nederland. Denk aan eigenaren van klimhallen, skatehallen of vechtsportscholen. Of mensen die als ZZP-er bootcamplessen organiseren in de openbare ruimte. Zij maken sportactiviteiten mogelijk op tijdstippen en plaatsen die voor traditionele sportverenigingen vaak niet haalbaar zijn. Vrijwilligersorganisaties bieden sport meestal aan op tijdstippen die bijvoorbeeld voor werkende ouders het meest ongunstig zijn, zo tussen zes en zeven uur avonds. De ‘anders georganiseerde’ sportaanbieders vallen nu nog te vaak buiten de radar van sportbeleidsmakers en de politiek. En daarmee ook nog te vaak buiten subsidiestromen en sportstimuleringsprogramma’s. Concrete voorbeelden van ondernemerschap in de sport had ik daarom graag meer terug gezien in het rapport.”

> Naar website Instituut voor Sportstudies, Hanzehogeschool Groningen

Hugo van der Poel, algemeen directeur Mulier Instituut

“Ik vind het heel positief dat een verkenning als deze op gezette tijden wordt uitgevoerd. Al moet ik eerlijk zeggen dat ik liever een lopend verhaal voor mijn neus krijg, dan allemaal tegeltjes zoals je die nu op de site van het RIVM ziet staan. Daardoor mis ik de logische opbouw in de redenering. Wat mij aanspreekt zijn de vier perspectieven op sport zoals die geschetst zijn. Ik vind het uiteendrijven van de breedte- en de topsport heel herkenbaar, maar vraag me wel af of dit vooral de grote sporten betreft, zoals voetbal en tennis, of alle sporten? De beleidsvraag is of je deze tweespalt wilt en kunt tegenhouden. Daarvoor heb je allereerst diepgaand inzicht nodig in de krachten die deze tweedeling veroorzaken. Daarna wil je de gevolgen ervan wegen. Zo kan ik me voorstellen dat de voorbeeldfunctie van de topsport in het gedrang komt. Dan kun je kijken hoe je die kunt borgen of zelfs versterken in de nieuwe situatie, waar top- en breedtesport uit elkaar zijn gedreven.

Ander punt: Nederland dreigt zijn positie in de top 10 van beste sportlanden kwijtraken. Ook hier is de vraag hoe belangrijk men dit vindt op politiek niveau, hoe lang blijven de baten opwegen tegen de alsmaar oplopende kosten? Het zou een afweging kunnen zijn om er op een gegeven moment een top 20-ambitie van te maken. We moeten er rekening mee houden dat wij een klein landje zijn; als meer grote landen serieus gaat meedoen in deze wedloop, wordt het voor Nederland onbetaalbaar.”

> Naar website Mulier Instituut

Corniel Groenen, afdelingshoofd Sport en Recreatie bij gemeente ´s-Hertogenbosch

“Voor ons als gemeente is de toekomstvisie op de breedtesport in deze verkenning natuurlijk het meest relevant, daar investeren wij het meest in. Ik denk dat de grootste uitdaging in de toekomst de betaalbaarheid van de sport wordt. Wij zijn in Nederland best verwend, omdat we via de verenigingen tegen een hele lage prijs kunnen sporten en bewegen. Er vindt nu professionaliseringsslag plaats binnen de sport, er worden hogere eisen gesteld aan accommodaties begeleiding en materiaal. Het gevolg is schaalvergroting en commercialisering. Dit roept de vraag op of de sport dan nog toegankelijk is voor de minder bedeelden in onze samenleving. Er is een groep die het geen probleem vindt en ook de mogelijkheid heeft om flink geld uit te geven aan sport. Ze doen aan fitness of kopen een dure racefiets. Maar er is ook een groep die niet het geld heeft om grote uitgaven te doen. Ook hier zie je dus dat de tweedeling in de samenleving zich verscherpt.

De uitdaging is: hoe zorgen en borgen we in de toekomst dat er voldoende mogelijkheden zijn om te sporten en bewegen in georganiseerd verband, laagdrempelig, goedkoop en dicht bij huis? Omdat sport op lokaal niveau raakvlakken heeft en ingezet wordt op andere terreinen – gezondheid, onderwijs en welzijn, ouderen- en jeugdzorg – zouden ook de middelen moeten worden samengevoegd. Het zijn nu vaak nog gescheiden werelden. Het rijgen van een ketting door al die beleidsterreinen, om voorzieningen samen te delen en te financieren, dat wordt een interessante opgave.”

> Naar website gemeente ‘s-Hertogenbosch Sport en Recreatie

Dick Zeegers, directeur Stichting Waarborgfonds Sport

“Wij zitten met onze dienstverlening het meest aan de kant van de sportverenigingen. In de STV wordt geconcludeerd dat sportverenigingen het in de toekomst zwaarder zullen krijgen. Wij hebben zelf bijna 2.000 sportorganisaties in ons bestand, wij meten op financieel gebied hoe het met ze gaat. Wij concluderen ook dat het in vergelijking met het verleden financieel slechter gaat en de verwachting is dat die lijn zich voortzet richting de toekomst. De redenen daarvoor zijn met name het ledenverlies, ingegeven door de individualisering van de samenleving. De binding die de sportverenigingen, net als de kerk vroeger, meebrachten, is niet meer vanzelfsprekend. Er zijn nu veel meer vormen van vermaak.

Ik denk dat het vanuit sociaal-maatschappelijk oogpunt erg belangrijk is dat verenigingen bestaan. Het is nog steeds een ontmoetingspunt. Als de overheid sportverenigingen als instituut in stand wil houden, dan moet er gewoon meer geld naartoe. Als je verenigingen zelf vraagt welke ondersteuning ze zoeken, dan zul je meestal horen dat het puur een centenkwestie is. Neem ´centen´ niet te letterlijk, het kan ook indirect geld zijn, belastingvoordeel of investeringen in de sportaccommodatie.

Ik ben overtuigd van het nut van sportverenigingen, al verschilt de rol per club. Er zijn 25.000 sportverenigingen in Nederland. Er zitten hele groten tussen die allerlei sociaal-maatschappelijke activiteiten kunnen ontplooien, en die het hartstikke goed doen. Dat zijn verenigingen met meer dan 1.000 leden. Er zijn ook vrij veel kleine sportverenigingen, met pakweg 150 leden. Daarvan kun je niet verwachten dat zij allerlei extra taken op zich nemen. De term sportvereniging wordt vaak als containerbegrip gebruikt, je moet per vereniging differentiëren welke rol hij kan vervullen. Het aangaan van de samenwerking met partners is sowieso slim. Als je weet dat sportaccommodaties grote delen van de tijd niet gebruikt worden, dat is dan is het niet meer dan logisch dat er alternatieve activiteiten plaatsvinden.”

> Naar website Stichting Waarborgfonds Sport

Lees hier meer over wat de Sport Toekomstverkenning inhoudt.

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.