Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Sneller of langzamer trappen bepaalt trainingseffect bij wielrenners

Artikel

Geplaatst op 17 juni 2016

Geplaatst op 17 juni 2016

Door met een hoge trapfrequentie te trainen kunnen wielrenners hun efficiëntie verbeteren. Een lage trapfrequentie heeft daarentegen het voordeel dat zij meer vermogen kunnen leveren tijdens een relatief korte maximale inspanning van 15 minuten. Dit bleek uit onderzoek bij zeer goed getrainde wielrenners uitgevoerd door Australische onderzoekers.

Eind jaren negentig en begin jaren tweeduizend streden de wielrenners Jan Ullrich en Lance Armstrong verbeten gevechten uit in het peloton. Naast het feit dat Armstrong zo goed als altijd in de grote rondes voor Ullrich finishte, was er nog een opmerkelijk verschil tussen beide renners. Waar Armstrong met een heel hoge trapfrequentie de Alpenreuzen op fietste, “stoempte” Ullrich juist met een heel lage frequentie omhoog. De vraag is welk keuze het beste is: trainen met een lage of juist hoge trapfrequentie.

Hoge versus lage trapfrequentie

Goed getrainde wielrenners die zes weken lang tijdens de training sneller trappen dan gewoonlijk (110 omwentelingen in plaats van 90 omwentelingen per minuut) gaan daarna met een hogere frequentie trappen. Als zij daarentegen juist langzamer trappen tijdens de training (naar 70 omwentelingen per minuut) verandert hun zelfgekozen trapfrequentie niet.

Wielrenners die met een hogere trapfrequentie gaan trainen fietsen één procent efficiënter op iets meer dan de helft van hun VO2max. Oftewel het percentage van het energieverbruik dat ten goede komt aan het fietsen gaat omhoog. Dit geldt niet voor wielrenners die met lagere trapfrequentie gaan trainen, bij hen vinden de onderzoekers geen verschil in efficiëntie.

Maar, na training met een lage trapfrequentie, verbetert de prestatie wel. Tijdens een fietstest van 15 minuten waarbij de wielrenners zoveel mogelijk arbeid moesten leveren verbeterde deze trainingsgroep hun gemiddeld geleverd vermogen het meest (van gemiddeld 269 naar 312 Watt). De andere trainingsgroep verbeterde ook, maar die verbetering was aanzienlijk minder (van gemiddeld 269 naar 291 Watt). Bij dezelfde fietssnelheid, leveren de wielrenners die langzamer trappen meer kracht per omwenteling dan als zij sneller trappen. De onderzoekers denken dat dit de verklaring is waarom wielrenners meer vermogen kunnen leveren na het trainen met een lage trapfrequentie.

Advies

Als wielrenners vooral een kortdurende inspanning moeten leveren, bijvoorbeeld op de baan of tijdens een korte tijdrit lijkt het verstandig geregeld met een lagere trapfrequentie te trainen. De onderzoekers veronderstellen dat deze trainingsvorm hun spierkracht kan vergroten.

Het lijkt erop dat wielrenners die lange etappes moeten fietsen er verstandig aan doen geregeld te trainen met een trapfrequentie die aanzienlijk hoger ligt dan dat zij gewend zijn. Zij kunnen hiermee hun efficiëntie verbeteren. Of dit ook geldt voor wielrenners die al op een hoge trapfrequentie fietsen is onbekend. De onderzoekers hebben geen heldere verklaring voor dit trainingseffect. Of dit direct de duurprestatie verbetert is niet duidelijk, maar zij zullen in ieder geval energie besparen.

Whitty AG, Murphy AJ, Coutts AJ, Watsford ML (2016) The effect of low- vs high-cadence interval training on the freely chosen cadence and performance in endurance-trained cyclists. Appl. Physiol. Nutr. Metab., 24: 1-8
Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.