Sluiten

Protocol is belangrijk, maar kinderen blijven kinderen

Artikel

Publicatiedatum 2 juni 2020

Sinds 11 mei zijn de basisscholen weer open en volgen leerlingen weer onderwijs op school; ook bewegingsonderwijs. Hoe hebben vakdocenten lichamelijke opvoeding (LO) zich daarop voorbereid? En waar lopen ze tegenaan in de nieuwe 1,5 meter school? We kijken mee met Roderick Groot, opleidingsdocent bij de ALO Amsterdam én beweegonderwijzer op twee basisscholen in Amsterdam en Diemen. Hoe gaan de basisscholen waar hij werkt om met de nieuwe werkelijkheid?

Wat hebben jullie als vakdocenten LO gedaan in de lockdown?

“Tijdens de lockdown waren beide basisscholen waar ik werk gesloten en werd er op afstand lesgegeven. Voor de leerlingen van wie de ouders in de vitale beroepen werken, was er een noodopvang. Ik heb net als andere collega’s meegedraaid in een opvangschema. Daarnaast heb ik via filmpjes beweegoefeningen gegeven om thuis te doen. En ik heb via Google Meet met klassen live workouts gedaan. Dit vonden de leerlingen heel erg leuk! Sommige hebben zelfs hun eigen oefeningen gefilmd, waarop je als onderwijzer weer een reactie kunt geven.”

Hoe hebben jouw basisscholen zich voorbereid op de herstart?

Groot: “We hebben als beweegonderwijzers eerst naar de richtlijnen vanuit het ministerie in samenwerking met ALO Nederland gekeken. De specifieke richtlijnen daarin – zoals omkleden, zaal betreden, enzovoorts – hebben we met collega’s en directies vooral op haalbaarheid besproken. Wat wel of niet kan, heeft vaak te maken met de faciliteiten of de organisatievorm van de school.

Een van de basisscholen waar ik werk, koos bijvoorbeeld voor werken met halve dagen. Daarmee vonden ze het te ingewikkeld om beweegonderwijs in te roosteren. Bij hele dagen onderwijs kan dat makkelijker. Ook is het makkelijker als je een eigen gymzaal hebt, dan wanneer je beweegruimte buiten de school moet zoeken. In de directe omgeving van mijn school in de binnenstad van Amsterdam is geen geschikte buitenlocatie. In Diemen kunnen we een Cruijff Court gebruiken. Je bent dus afhankelijk van de schoolorganisatie en de faciliteiten.”

Wie zijn allemaal betrokken in die voorfase?

Groot: “De directie, de docenten en de naschoolse opvang. En we hebben bijvoorbeeld de wijkagente toestemming gevraagd om het Cruijff Court te gebruiken. De gemeente was ook actief betrokken bij de looproutes en bewegwijzering naar de school. En later bij de controle of alle maatregelen goed werden nageleefd.

De ouders in de medezeggenschapsraad hebben ook actief en kritisch meegedacht bij de voorbereiding van de protocollen. Sommige ouders hadden vragen over de risico’s. Of over praktische zaken, zoals het omkleden in dezelfde kleedkamer door jongens en meisjes tegelijk. Daar moeten we soms voor kiezen als er te weinig kleedkamers zijn. Ook omdat de regel is dat de verschillende klassen niet met elkaar in contact mogen komen. Op vragen over besmettingsrisico geef ik meestal door wat daarover in protocollen staat.“

Was het lastig om de nieuwe richtlijnen in de praktijk toe te passen?

Groot: “De meeste maatregelen kun je best toepassen: na elke les al het gebruikte materiaal schoonmaken, materiaal wat je als docent gebruikt niet delen met leerlingen, leerlingen laten omkleden in de klas of in de gymzaal, geen verschillende groepen bij elkaar laten omkleden. Dat is wel in te passen, maar het kost wel extra tijd en geregel.

De mate van strengheid is wel een aandachtspunt. Bijvoorbeeld het anderhalve meter afstand houden: dat is in een klaslokaal wel te doen, maar in een gymzaal vol bewegende kinderen met een docent die zelf ook beweegt, is dat moeilijker. Hoe streng je wil zijn? Het antwoord op die vraag is per docent verschillend. Wat doe je bijvoorbeeld met een kind dat zijn of haar favoriete juf na acht weken weer ziet, erop af stormt en een knuffel wil geven? Je moet een balans vinden. In dat geval wordt zo’n protocol meer een richtlijn. Hoe meer mensen afstand houden tot anderhalve meter, hoe beter. Maar kinderen blijven kinderen.”

Hoe reageerden de kinderen op de herstart van de scholen in mei?

Groot: “Mijn indruk is dat leerlingen vooral heel blij waren dat ze weer naar school mochten en mochten gaan bewegen. 90% heeft er plezier in, ook als het onderwijs is aangepast. En plezier is het belangrijkst, omdat kinderen die plezier hebben zich op alle vlakken beter ontwikkelen. De meeste beweegleerlijnen kunnen we blijven toepassen, zoals mikken, balanceren en glijden.

Kinderen mogen namelijk wel dichtbij elkaar komen, het gaat erom dat wij zelf afstand houden. Ook bijvoorbeeld bij iets voordoen. Er is wel een verschil tussen kinderen. De jongere kinderen zijn alles over corona na een paar minuten alweer kwijt. De oudere leerlingen vinden het nog wel spannend: alles is anders, er zijn allemaal andere regels en ook hun ouders leggen soms druk op met eigen regels.

Wij hebben activiteiten aangepast waar mogelijk: we gebruiken zo min mogelijk materialen, want alles moet je afwassen na afloop en daar is geen tijd voor. Ook doen we geen activiteiten met intensief lichamelijk contact. Hoe spannend kinderen het vinden om naar een andere locatie te gaan voor beweeglessen, hangt ook van jou af als docent. Doe je dat al vaker, dan is het voor de kinderen meestal geen probleem. Als je als leerkracht nooit naar buiten gaat, is dat anders.”

Heeft deze periode ook positieve effecten gehad?

Groot: “Ik denk dat we veel hebben geleerd over wat met afstandsonderwijs allemaal mogelijk is, waar we eerder nog geen ervaring mee hadden. Die nieuwe online technieken moeten we blijven gebruiken. Maar dan als energizer, niet als vervanging van de fysieke bewegingslessen. Want een belangrijk onderdeel van ons vak zoals het helpen, vangen en ondersteunen van leerlingen, is niet mogelijk op afstand. Dat kan zelfs niet met de anderhalve meter regel, dus het effect is beperkt.

Voor leerlingen die fysiek minder makkelijk bewegen kun je overigens wel Motorisch Remedial Teaching aanbieden. Eigenlijk zou daarvoor op elke school budget moeten zijn, net zoals we ook leerlingen met taal- en rekenachterstand helpen. Tot slot zie ik een groter positief effect: aandacht voor een gezond leefpatroon, voorlichting over gezonde voeding en meer sporten en bewegen zullen door corona weer hoog op de politieke agenda komen. Daarom is het mede van belang dat er meer vakbekwame bewegingsonderwijzers komen die voldoende uren en faciliteiten krijgen om hieraan te werken.”

Wat verwacht je na de volledige heropening van scholen op 8 juni?

Groot: “Ik verwacht dat de situatie op de basisscholen weer snel wordt als voor de coronacrisis. Kinderen mogen weer met hele klassen naar school, pauzes hoeven niet meer apart van andere groepen en de bewegingslessen zullen weer het oude rooster en programma oppakken. Wel zullen we als docenten blijvend rekening moeten houden met de 1,5 meter regel.”

Heb je nog tips aan collega LO-docenten die nog gaan beginnen?

“Het is belangrijk voor scholen om de communicatie met docenten, Medezeggenschapsraad, gemeente en alle andere partijen buiten de school goed te regelen. Bij het heropenen moet iedereen de regels goed volgen. Neem ouders en leerlingen dus mee in de regels. Zo kun je leerlingen betrekken bij het schoonmaken van materialen en dan leg je tegelijk uit waarom dat we dit doen. Dan snappen zij het ook.”

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.