Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

On the move

Interventie

Erkenning

Goed beschreven

On The Move richt zich op meiden tussen de 12 en 18 jaar oud in de jeugdzorg die seksueel en/of relationeel getraumatiseerd zijn.

Het doel van On The Move is door middel van laagdrempelige, goed bereikbare en gratis sporttrajecten binnen 10 weken het helpen hervinden van de – vaak verstoorde – connectie tussen lichaam en geest. Meiden met een relatie trauma of een trauma op seksueel gebied hebben in veel gevallen een negatief of onrealistisch zelfbeeld, weinig zelfvertrouwen en hebben zichzelf afgeleerd om naar signalen van hun lichaam te luisteren. On The Move wil hierin een positieve verandering aanbrengen. Door middel van sport en communicatie wordt getracht een realistischer en positiever zelfbeeld te bewerkstelligen en wordt luisteren naar- en het herkennen van signalen van het eigen lichaam gestimuleerd.

Jeugdzorginstellingen kunnen met behulp On The Move meiden met een relatie of seksuele trauma een complementaire interventie aanbieden naast cognitieve gedragstherapie. Met verschillende sporttrajecten, waarin de basisbeginselen van een sport worden aangeleerd door een sporttrainer, wordt getracht de emotionele schade aangericht door trauma te verminderen. Naast een sporttrainer is er een pedagogisch geschoolde begeleider aanwezig vanuit één van de instellingen / groepen waar de meiden vandaan komen. De begeleider sport mee en zorgt er, samen met de trainer, voor dat er een positieve en veilige sfeer is tijdens de lessen, de meiden succeservaringen opdoen wijst hen erop te luisteren naar signalen van het lichaam (dorst, spierpijn ect.). De lessen zijn gebaseerd op de theorie van Vygotsky (1978).

Beschikbare materialen zijn: Handleiding voor professionals On The Move,

Werkblad Goed onderbouwd en Effectiviteit On The Move,

2 x Handleiding specifieke sporten (Tennis en Thaiboksen),

vragenlijsten voor deelnemers en begeleiders voor monitoring en de effectmeting en de uitleg vragenlijsten.

Deelnemers worden vaak geënthousiasmeerd door hun begeleider of mentor. De kracht van On The Move ligt in de specifieke begeleiding, het werken in kleine groepjes, de laagdrempelige sportactiviteiten, de enthousiaste trainers en begeleiders en de succeservaringen die de jongeren opdoen. De opkomst van de meiden evenals de groepsdynamiek blijven lastige factoren (Voorhout & de Jong, 2012; Voorhout, Terstappen, & de Jong, 2014; Terstappen, de Jong, & El Osroutti, 2014).

Probleembeschrijving

Probleem

Meiden met een seksueel/relationeel getraumatiseerde achtergrond hebben vaak de connectie tussen lichaam en geest verbroken als copings-mechanisme om met het seksueel/relationeel geweld om te gaan (Price, 2005; Sack, Boroske-Leiner, & Lahmann, 2010). Tijdens het seksueel misbruik/geweld kan het zo zijn dat de meiden zich gedissocieerd hebben van de gebeurtenis zodat ze mentaal kunnen vluchten van de pijn en angst die deze gebeurtenis(sen) met zich meebrengen. Het is een natuurlijke lichamelijke reactie, zodat op een later tijdstip de exacte details van het misbruik niet terug gehaald kunnen worden. Naar verloop van tijd kan blijken dat deze meiden zichzelf ook in andere situaties hebben afgeleerd om naar signalen van het lichaam te luisteren (Price, 2005). Daarnaast blijken meiden met een seksueel/relationeel trauma zichzelf vaker te objectiveren dan meiden die hier niet mee in aanraking zijn gekomen. Als meiden op deze manier naar zichzelf kijken kan dit ervoor zorgen dat meiden verminderd bewust zijn van lichaamssignalen. Omdat ze moeilijk hun eigen lichaamssignalen kunnen herkennen en/of hier adequaat betekenis aan kunnen geven, en daardoor minder goed hun eigen grenzen aan kunnen geven, komen ze eerder in onveilige situaties terecht (Berlo & Mooren, 2009). Meiden met seksueel trauma kunnen het contact met het eigen lichaam zelfs in zoverre verliezen dat ze ongevoelig zijn voor pijn (Sack et al., 2010).

Tevens hebben seksueel en relationeel getraumatiseerde meiden vaak weinig zelfvertrouwen en hebben ze te maken met een laag of onrealistisch zelfbeeld als gevolg van bijvoorbeeld schaamte voortkomend uit seksuele/relationele trauma’s (Berlo & Mooren, 2009; Sack et al., 2010) of hechtingsproblematiek veroorzaakt door het trauma (Bovenkerk et al., 2004; Trickett et al., 2011). Meiden die seksueel misbruikt zijn hebben de neiging hun problemen te internaliseren wat zich in veel gevallen vertaald naar een laag zelfbeeld (Browne & Finkelhor, 1986; Sack et al., 2010). Dit heeft een negatieve invloed op het dagelijks leven en maakt hen in de toekomst tevens vatbaarder voor seksuele en relationele problematiek. Daarnaast kan hechtingsproblematiek ervoor zorgen dat een meisje zich in een relatie tot anderen sterk aan zichzelf twijfelt en kan zorgen dat het meisje wordt belemmerd in het ontwikkelen van haar eigen identiteit en het reguleren van (negatieve) emoties (Briere & Rickards, 2007).Met het verliezen van de eigen identiteit verliest het meisje ook haar (recht) op zelfstandigheid en het maken van eigen keuzes.Dit vergroot vervolgens de kans dat de meiden opnieuw in een misbruiksituatie belanden.

Spreiding

In Nederland krijgt meer dan 20 procent van de meiden voor het 16e levensjaar te maken met seksueel geweld (Bakker & Vanwesenbeeck, 2006). Dit kan variëren van het ervaren van verbale seksuele intimidatie tot meer traumatische vormen zoals bijvoorbeeld incest. Echter, vanaf welk moment seksueel geweld in haar breedste vorm leidt tot seksueel trauma is niet objectief te bepalen en verschilt per persoon. Wat wel gesteld kan worden is dat hevige vormen van seksueel geweld eerder leiden tot seksueel trauma. De gemiddelde leeftijd bij aanvang van seksueel misbruik is 10 jaar (Bakker & Vanwesenbeeck, 2006). Echter, er moet rekening worden gehouden met grove onderrapportage. Het is aannemelijk dat de omvang van het aantal seksueel/relationeel getraumatiseerde meiden veel groter is dan met cijfers hard kan worden gemaakt (Rapport Commissie Samson, 2012). Cijfers betreft omvang en spreiding van meiden met een seksueel/relationeel getraumatiseerde achtergrond zijn er echter nauwelijks. Uit landelijke politiecijfers uit 2007 blijkt dat 43% van de slachtoffers van seksueel huiselijk geweld jonger is dan 18 jaar: 19% is 0-12 jaar en 24% is 12-18 jaar (Ferwerda, 2008). Onderzoek onder jongeren tussen 12 en 25 jaar wees uit dat 17% van de meiden wel eens gedwongen is om seksuele handelingen te verrichten terwijl ze dit eigenlijk niet wilden. Ruim 7% van de meiden heeft wel eens geslachtsgemeenschap gehad tegen haar wil. Ook zegt 12% van de meiden dat er wel eens iemand boos op hen is geworden om seks met hen te kunnen hebben; en 6% van de meiden geeft aan dat er fysiek geweld tegen hen is gebruikt (De Graaf et al., 2012). In 2012 zaten er 103.000 jongeren in de jeugdzorg, waarvan 43% meisje (CBS, 2012). Als er uit wordt gegaan dat ongeveer 20 procent, het landelijke percentage, van de meiden te maken heeft (gehad) met een vorm van seksueel geweld komt dat neer op een ruwe schatting van 10.000 meiden in de jeugdzorg. Het werkelijke percentage meiden in de jeugdzorg die hier mee te maken hebben gehad ligt aannemelijk een stuk hoger, al ontbreken er landelijke cijfers en is het daarom lastig om een concrete inschatting te maken. On The Move streeft ernaar om alle meiden te bereiken die binnen de jeugdzorg behandeld worden voor seksueel/relationeel trauma. Dit zal per jeugdzorginstelling verschillen en om deze rede valt er geen uitspraak te doen betreft het aantal meiden die per instelling bereikt kunnen worden.

Doelgroepen

De doelgroep zijn meiden tussen de 12 en 18 jaar en ontvangen in de jeugdzorg hulp met het verwerken van trauma op seksueel/relationeel gebied. Deze meiden kunnen uiteenlopende problematiek hebben zoals het meegemaakt hebben van (een vorm van) seksueel geweld, mishandeling of misbruik, slachtoffer zijn geweest van loverboys of in de prostitutie hebben gezeten. De problematiek van deze meiden is wellicht breed, maar is ontstaan bij allen ontstaan of mede-ontstaan door seksueel/relationeel trauma. Ze kunnen bij de instelling, zelfstandig of nog bij hun ouders wonen.

Intermediaire doelgroep

De sport-zorg coördinator ontvangt de meiden die meedoen aan het traject de allereerste les. Verder hebben de trainer en de begeleider, de laatste komt op vrijwillige basis vanuit één van de jeugdzorginstellingen meiden, direct contact met de meiden. Vooralsnog werkt de begeleider op vrijwillige basis voor On The Move, maar als de jeugdzorginstelling hier een budget voor kan vinden, zou dit dan wel tegen betaling dan wel binnen de uren die de begeleider maakt kunnen vallen. In de huidige vorm binnen de Jeugdzorg instelling De Rading is dit niet haalbaar. De trainer en begeleider zorgen beide voor het uitvoeren van de sportclinics: de trainer is hoofdzakelijk verantwoordelijk voor het sportinhoudelijke deel en het lesgeven volgens het fasemodel, te zien in de handleiding. De begeleider is hoofdzakelijk verantwoordelijk voor het pedagogische klimaat in de groep. Dit houdt in dat de lessen in een veilige, aangename en stimulerende omgeving plaatsvinden. De begeleider heeft dan ook een pedagogisch geschoolde achtergrond. Voor de trainer is een pedagogisch geschoolde achtergrond niet verplicht, maar wel wenselijk. Uiteraard wordt affiniteit met de doelgroep wel tot de basisvoorwaarden gerekend met het selecteren van trainers.

Doel van het sport- en beweegaanbod

Hoofddoel

  • De meiden hebben een betere connectie tussen lichaam en geest.

Subdoel

  • De meiden doen tijdens de sportclinic succeservaringen op: door het succesvol uitvoeren van de (laagdrempelige) sportactiviteiten en door het krijgen van complimenten van de trainer en begeleiders. Hierdoor hebben ze meer inzicht in wat hun lichaam wel en niet kan en dit stimuleert een realistischer en daarmee positiever zelfbeeld.
  • De meiden kunnen na afloop van de clinic aangeven welke onderdelen van de sport ze beheersen en welke onderdelen ze nog verder moeten trainen.

Aanpak (opzet interventie, locatie en uitvoerders)

Opzet van de interventie

De gemiddelde duur van de voorbereiding totdat de interventie daadwerkelijk uitvoerbaar is, is sterk afhankelijk van de soort instelling en het aantal sporttrajecten dat uitgevoerd gaat worden. De tijd die de projectcoördinator nodig heeft om contact te leggen met sportvereniging, aanstellen van de trainers, het vinden van een begeleider die op vrijwillige basis (of binnen contracturen) mee wilt helpen bij het sporttraject en het werven van de meiden is ontzettend afhankelijk van de organisatie. Geschat wordt dat dit voor 5 trajecten gemiddeld 60 uur in beslag zal nemen voor één projectcoördinator.

De uitvoering van de interventie zelf, als in de sportlessen, is één uur per week en heeft een periode van acht tot tien weken. Echter wordt er voor de trainer en begeleider anderhalf uur per week geschat. Voor de trainer vloeit dit voort uit het feit dat de lessen voorbereid dienen te worden. Voor de begeleider is het van belang dat de voortgang teruggekoppeld wordt naar de mentor/instelling/opvoeders en ook dit neemt extra tijd in beslag. Een begeleid(st)er is bij elke sportclinic aanwezig en is tijdens de lessen voornamelijk verantwoordelijk voor het pedagogisch klimaat binnen de groep. Concreet betekend dit dat de begeleid(st)er meedenkt wanneer er groepjes gemaakt moeten worden, waar nodig corrigerend optreed en eventueel een van de meiden even apart neemt als deze zich niet goed voelt/boos dreigt te worden enz. Na afloop van de sporttrajecten en evaluatie met de meiden en hun begeleider wordt er geïnventariseerd door de projectcoördinator welke meiden er geïnteresseerd zijn om door de stromen naar een reguliere sportvereniging. Indien dit het geval is, word verwacht van de projectcoördinator dat hij/zij hierin begeleiding geeft in de vorm van het uitzoeken van een geschikte vereniging en eventueel meegaat naar de eerste les, om de drempel laag te houden. Mocht de stap naar een reguliere sportvereniging nog te hoog zijn, dan is het van belang dat tijdens de eindevaluatie of via de begeleider/mentor/aanmelder van de meiden de meiden te kennen wordt gegeven dat ze welkom zijn bij ieder ander sporttraject van On The Move (Onder de voorwaarde dat dit wordt aangeboden en praktisch haalbaar is).

zie ook figuur bijlage

Locaties en Uitvoering

De locaties hangen af van de aangeboden clinics en de beschikbare ruimtes. Wanneer er bijvoorbeeld een voetbalclinic wordt uitgevoerd, ligt het voor de hand dat deze lessen worden gegeven bij de lokale voetbalvereniging of zaalvoetbalvereniging. Bij het uitzoeken van de locaties is het van belang dat deze goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer of een centrale ligging hebben omdat de meiden vaak zelfstandig naar de lessen toekomen. De projectcoördinator is verantwoordelijk voor het selecteren van sportverenigingen en sportclinics. Dit betreft echt maatwerk en komt tot stand na 1 op 1 inventariseren bij de meiden. Wanneer bijvoorbeeld een sportvereniging geschikt is, maar niet bereikbaar voor de meiden houdt het op. Meiden gaan samen met de projectcoördinator kijken wat haalbaar is en wat aansluit bij de belevingswereld van de meiden. Bij de uitvoering van de sportclinics zijn er een aantal mensen betrokken;

Projectcoördinator: ten eerste is er iemand die het traject On The Move organiseert, deze persoon is verantwoordelijk voor het aanstellen van een trainer, het huren van materiaal/de locatie, het aanstellen van een begeleider, de aanmeldingen van de meiden en deze vervolgens een bevestigings- en introductiebrief te sturen. De projectcoördinator wordt aangesteld door de (jeugdzorg)-instelling die de interventie OTM inkoopt. Wanneer de meiden geënthousiasmeerd zijn voor een sport en willen doorstormen naar een reguliere sportclub/vereniging kan de projectcoördinator de meiden helpen. De projectcoördinator zorgt voor contact met de vereniging en de ouders en gaat met beide partijen overleggen of de meiden geplaatst kunnen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met het niveau, de (vaak complexe) achtergrond en thuissituatie van de meiden en de kosten.

Trainer: een trainer is verantwoordelijk voor het voorbereiden van de lessen met behulp van de handleiding aangevuld met eigen ervaring/kennis, het klaarzetten van alle benodigde materialen en het uitvoeren van de sportclinics op locatie met alle meiden en de begeleid(st)er. Een trainer komt vaak van buitenaf, bijvoorbeeld vanaf een sportvereniging. Deze wordt door de projectcoördinator aangesteld.

Begeleider: vanuit een jeugdzorginstelling komt een begeleider (op vrijwillige basis) met een pedagogische achtergrond die verantwoordelijk is voor: het contact met de meiden, het pedagogisch klimaat in de groep tijdens de sportlessen, contact met de ouders/begeleiders/verzorgers van de meiden (na 5 weken volgt een korte evaluatie, belangrijke zaken worden direct gemeld) en het actief meedoen met de sportclinics waarbij de meiden positief gestimuleerd worden.

Ondersteuning

De sportzorgcoördinatoren van De Rading zullen verantwoordelijk zijn voor de overdrachtstraining aan de projectcoördinator en trainer(s) van geïnteresseerde jeugdzorgorganisaties en tevens voor het aanleveren van de documentatie van On The Move. Daarnaast zullen zij na de overdrachtstraining en voor de start van de sporttrajecten beschikbaar zijn voor een terugkoppeling. Tevens zijn zij tot en met het einde van het eerste sporttraject telefonisch beschikbaar voor eventuele aanvullende hulp.

Er geldt een aantal randvoorwaarden die van belang zijn voor de uitvoering en kwaliteitsbewaking van het sporttraject.

Voorwaarden:

  1. Een opzet van de sportlessen volgens de ‘Gouden tips’ (zie bijlage Tennis- of Thaibokshandleiding).
  2. Een vaste groep meiden. Er is enkel aan het begin de mogelijkheid voor nieuwe meiden om in te stromen, aangezien negatieve groepsdynamische processen bedreigend kunnen zijn voor het veilige basisklimaat.
  3. Deskundige, capabele trainers die kennis hebben van de specifieke problematiek van de meiden en die ze tevens weet te bereiken en te motiveren, zo blijkt ook uit sporttrajecten van ‘Sport zorgt’ (Buysse & Duijvestein, 2011).
  4. Begeleiders vanuit de jeugdzorginstelling die wekelijks contact hebben met de trainer over de vorderingen van elk meisje bij het sporten en contact onderhoudt met de vaste begeleiding van het meisje (residentieel of ambulant). De begeleiders zijn bij elke sportles zelf aanwezig.
  5. Scholing van de trainers in het lesgeven volgens de theorie van Vygotsky.
  6. De overtuiging bij alle betrokkenen binnen de jeugdzorginstelling dat de sporttrajecten voor de meiden een meerwaarde hebben.
  7. Een vaste sportcoördinator, om de kloof tussen sport enerzijds en zorgverlening anderzijds te overbruggen, toe te zien op de kwaliteit van de (trainers van de) sportlessen en ervoor te zorgen dat sport een vast onderdeel wordt binnen de jeugdzorginstelling.
  8. Onderzoek naar het verloop van de toekomstige sporttrajecten, om meer inzicht te krijgen in de invloed van sportparticipatie op meiden binnen de jeugdzorginstelling.

De projectcoördinator van On The Move onderhoudt in de regio contact met zowel de cliënt als de sportverenigingen. Bij plaatsing van de meiden wordt rekening gehouden met: het niveau van de meiden, de kosten en de groepssamenstelling van het team waar de meiden in geplaatst worden. De trainer wordt op de hoogte gesteld van belangrijke informatie m.b.t. de achtergrond van de meiden. 

Wanneer de meiden bij een sportclub zijn geplaatst neemt de projectcoördinator er na 3 en 6 maanden nog contact op met zowel de sportvereniging, de trainer als de meiden zelf. Wanneer het sporten bij de reguliere sportclub niet goed gaat kan de projectcoördinator extra ondersteuning bieden. De projectcoördinator levert bij de meiden en de sportclubs maatwerk: er wordt per persoon naar de beste oplossing gekeken.

Materialen

  • Handleiding voor professionals

Hier staat de gehele interventie in beschreven, dit is voor zowel de trainer als de begeleider zeer belangrijk voor het uitvoeren van de interventie.

  • Werkblad Goed onderbouwd en Effectiviteit On The Move

Dit is met name voor de sport-zorg coördinator een nuttig document. Hier staat de probleemomschrijving, de beschrijving van de interventie, de onderbouw, uitvoering, onderzoek en een overzicht van de literatuur.

  • 2 x Handleiding specifieke sporten (Tennis en Thaiboksen)

Deze handleidingen kunnen als voorbeeld dienen voor de trainer van een sportclinic. Hierin staan les voor les de inhoudelijke aspecten van de sportclinic beschreven.

  • Vragenlijsten voor deelnemers en begeleiders voor monitoring, evaluatie en effectmeting

Dit is essentieel voor de continuïteit van de interventie. Deze vragenlijsten worden gebruikt om te meten of er vooruiting in de gestelde subdoelen wordt geboekt en tevens om te kijken hoe de meiden de clinics waarderen. Deze moeten door de begeleiders worden afgenomen tijdens de eerste en laatste les.

  • Uitleg vragenlijsten

De bijbehorende uitleg van de vragenlijsten kan gebruikt worden door degene die de onderzoeksgegevens invoert of wanneer de instelling besluit zelf onderzoek te doen de interventie.

Alle materialen zijn te verkrijgen bij de sport-zorg coördinatoren van On The Move De Rading: Inge Voorhout, Geert van Dijke en Sanne Matzingen. Deze zijn te benaderen via i.voorhout@rading.nl , info@onthemoveutrecht.nl of s.matzinger@jes030.nl .

Organisatie

Organisatie: De Rading
Telefoon nummer organisatie: 030 2724353

Contactpersoon

Naam: Inge Voorhout
Email: i.voorhout@rading.nl

Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.