Gymlessen in de praktijk: het mogen er wat meer zijn | Alles over sport

Gymlessen in de praktijk: het mogen er wat meer zijn

Artikel

geplaatst op: 6 september 2016

Op dit moment is er geen wettelijke norm voor de hoeveelheid lestijd. Uitgaande van het huidige onderwijsbeleid zouden kinderen op de basisschool 2 x 45 minuten per week bewegingsonderwijs moeten krijgen en in het voortgezet onderwijs gemiddeld 2,5 uur per week. Daar is de gemeentelijke bekostiging van accommodaties op afgestemd. Dit wordt echter niet bij alle scholen gehaald.

Basisonderwijs: gemiddeld twee lessen per week

De gemiddelde wekelijkse lestijd in 2014 was in het primair onderwijs 144 minuten voor groep 1 en 2 en 87 minuten voor groep 3-8. De meeste basisscholen plannen twee lessen in per week, één op de vijf basisscholen houdt het bij één lesuur per week. Minder dan 5 procent van de scholen roostert drie uur in (Reijgersberg, 2013).

Voortgezet onderwijs: van drie naar minder dan één uur per week

In het voortgezet onderwijs varieert de gemiddelde lestijd van 150 minuten in het eerste leerjaar tot gemiddeld 97 minuten in het vierde leerjaar. Het eerste leerjaar hebben leerlingen vaak drie lesuren van 50 minuten per week, daarna neemt dit sterk af, tot nog geen uur in het laatste jaar van het vwo (Lucassen, 2015).

Met name in de bovenbouw van havo en vwo wordt niet volledig voldaan aan de minimale eisen voor studielast en contacttijd voor lichamelijke opvoeding. Uit een trendanalyse van SLO blijkt dat in de bovenbouw het aantal lessen lichamelijke opvoeding op het grootste deel van de scholen conform het gewenste aantal is. Vertaald naar contacttijd in klokuren, blijkt echter dat twee op de tien scholen voor havo en vwo de minimale eis niet halen. De situatie op het vmbo lijkt rooskleuriger.

Daar staat tegenover dat naast het verplichte aanbod steeds meer scholen (in 2013 één op de drie) leerlingen extra lessen aanbieden in de vorm van sportklassen. Daarnaast bestaan er LOOT-scholen en Topsport Talentscholen. Dit zijn scholen waar toptalenten de kans krijgen om hun topsportcarrière te combineren met hun schoolcarrière. Dit is mogelijk vanaf klas 1 in het voorgezet onderwijs (vmbo-havo-vwo). Deze scholen zijn aangesloten bij Stichting LOOT, wat staat voor Landelijke Organisatie Onderwijs en Topsport. Scholen met een sportprofiel bieden extra ruimte voor sportieve ambities van leerlingen door extra onderwijsvoorzieningen aan te bieden. Ook kunnen scholen het themacertificaat Sport en bewegen hebben van de Gezonde School.

Verschillen per regio

Uit de 0-meting Bewegingsonderwijs in het primair onderwijs uit 2013 door het Mulier Instituut blijkt de situatie sterk per regio te verschillen. In de grote steden worden meer lesuren gegeven en vaker vakleerkrachten LO ingezet. In krimpgebieden en in het zuiden gebeurt dit minder. Naast het (actief) beleid van scholen zelf is het gemeentelijk beleid hierin een duidelijke factor. Ook geven vrijheid van onderwijs en beleid ruimte voor een sterk verschillende aanpak van het vak tussen scholen. Naast scholen die veel investeren in bewegingsonderwijs en sport op school, zijn er scholen die hier minder belang aan hechten.

Behalve in hoeveelheid lesuren verschillen scholen ook sterk in de kwaliteit van de ingezette leerkrachten. Bij een kwart van de basisscholen worden alle lessen gegeven door vakleerkrachten Lichamelijke Opvoeding (LO). Daarnaast zijn veel groepsleerkrachten met aanvullende LO-bevoegdheid actief (oud en nieuw) en deels ook zonder deze aanvullende bevoegdheid. Ook dreigen op veel scholen de gymleraren als vakleerkracht te verdwijnen.

Gebruikte bronnen:

  • Lucassen, J.M.H. & Reijgersberg, N. (2015). Sport en onderwijs. In: A. Tiessen-Raaphorst, Rapportage sport 2014 (pp. 201-223). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).
  • Reijgersberg, Niels & Van der Werff, Harold & Lucassen, Jo. Nulmeting Bewegingsonderwijs. Onderzoek naar de organisatie van het bewegingsonderwijs in het primair onderwijs. Mulier Instituut, 2013.

Bewaren:

Bewaren

Gerelateerde artikelen

Anderen bekeken ook