Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Feiten en cijfers, jeugd met een beperking

Feiten & cijfers

Kinderen en jongeren in het speciaal onderwijs sporten en bewegen minder dan hun leeftijdsgenoten binnen het regulier onderwijs. Speciaal onderwijs is onderwijs voor kinderen en jongeren met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking, langdurige ziekte of stoornis. Zij krijgen in het speciaal onderwijs meer aandacht en ondersteuning dan in het reguliere onderwijs. In 2013 bezochten in Nederland in totaal 71.200 leerlingen het (voortgezet) speciaal onderwijs.

Maar hoeveel bewegen en sporten zij dan minder? En bij welke beperkingen is het beweeggedrag het laagst en de sportdeelname het minst? Welke sporten worden beoefend door deze kinderen en jongeren? Deze vragen zullen hieronder beantwoord worden.

Clusters in het speciaal onderwijs

Het speciaal onderwijs is verdeeld in vier clusters.

Cluster
1 Blinde of slechtziende leerlingen (visuele beperking).
2 Leerlingen die doof of slechthorend zijn en/of spraak-/taalmoeilijkheden hebben (auditieve beperking).
3 Leerlingen met een motorische beperking, verstandelijke beperking, meervoudige beperking of langdurig zieke leerlingen (verstandelijke en/ of motorische beperking).
4 Leerlingen met autisme (bijv. ASS, PDD-NOS), hyperactiviteit (bijv. ADHD), gedragsproblemen (bijv. ODD of CD) en emotionele problemen (bijv. angst, depressie, somatisch). Leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen.

Beweeggedrag

Het overgrote deel van de leerlingen met een visuele beperking (85%), auditieve beperking (71%) en een verstandelijke en/of motorische beperking (78%) wordt met een taxibusje naar school gebracht. Bij leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen is dat veel minder het geval (56%). Leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen gaan het vaakst zelf lopend of fietsend naar school (28%), gevolgd door leerlingen met een auditieve beperking (18%). Leerlingen met een visuele beperking doen dit het minst vaak (4%). Zij wonen vaker intern (7%) in vergelijking met de leerlingen uit de andere onderwijsclusters (zie tabel 2).

Het verschil met scholieren uit het reguliere basis- en voortgezet onderwijs is groot. Zij gaan bijna allemaal dagelijks lopend of fietsend naar school (niet in de figuur weergegeven). Het speciaal onderwijs heeft vaak een regionale functie, waardoor leerlingen dikwijls op grotere afstand van de school wonen en gebruik moeten maken van speciale vervoersregelingen.

vervoer
Vervoer naar school, naar type onderwijs, leerlingen speciaal onderwijs (in procenten). Bron: (On)beperkt Sportief 2013.

Het aantal uur beweging per week is weergegeven in onderstaande figuur. Hierbij is gekeken naar vijf beweegactiviteiten: Lopen en fietsen (naar school, winkels of naar een halte van het openbaar vervoer), wandelen en fietsen als ontspanning en buitenspelen. Op basis van deze vijf activiteiten beweegt vier vijfde (79%) van de leerlingen van cluster 1- en cluster 3-scholen minder dan acht uur per week, tegen 73% van de leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen (cluster 4) en 65% van de leerlingen met een auditieve beperking (cluster 2).

Leerlingen in het speciaal onderwijs bewegen weinig (exclusief sport) in vergelijking met leeftijdsgenoten uit het landelijke bevolkingsonderzoek Nationaal Sportonderzoek (NSO) (2011). Van deze ondervraagde groep beweegt ‘slechts’ 35% minder dan tien uur per week (niet in de figuur).

Bron: (On)beperkt Sportief 2013

In onderstaande tabel is voor cluster 3- en cluster 4-leerlingen het aantal uur beweging per week uitgesplitst naar aard van de beperking/problematiek. Leerlingen met hoofdzakelijk een motorische beperking bewegen niet minder dan andere leerlingen uit cluster 3 (29% 0-2 uur per week tegen 25% voor het totaal). Leerlingen met een verstandelijke beperking bewegen het vaakst meer dan twee uur per week. Binnen de cluster 4-leerlingen bewegen leerlingen met gedragsproblemen duidelijk meer dan de andere groepen leerlingen.

Aantal uur beweging per week, naar aard van de beperking/problematiek, leerlingen van cluster 3- en cluster 4-scholen (in procenten)

Cluster 3 (2012) Totaal  Motorisch Langdurig ziek Verstandelijk Meervoudig
(n=2.867)  (n=405) (n=95) (n=1.216) (n=1.151)
0-2 uur 25 29 29 21 28
2-4 uur 27 26 22 27 27
4-8 uur 27 25 22 29 25
8 uur of meer 21 21 27 22 19
Cluster 4 (2011) Totaal Autisme Hyperactiviteit  Gedrag Emotioneel
(n=1.161) (n=734) (n=325) (n=191) (n=114)
0-2 uur 21 26 17 13 23
2-4 uur 27 29 22 16 31
4-8 uur 26 25 29 25 26
8 uur of meer 27 19 32 47 20

Bron: (On)beperkt Sportief 2013.

Als alleen wordt gekeken naar het buitenspelen, zijn er duidelijke verschillen naar beperking en onderwijscluster. De groep leerlingen die weinig tot nooit buiten spelen is het grootst onder leerlingen met een visuele beperking (26%) en het kleinst onder leerlingen met een auditieve beperking (12%). Leerlingen uit de andere twee clusters vallen daar tussenin (23%).

  • Leerlingen met een auditieve beperking lijken wat betreft mobiliteit meer op kinderen en jongeren zonder beperking en ervaren wellicht minder belemmeringen bij het buitenspelen.
  • Leerlingen met een visuele beperking worden in hun bewegingsvrijheid belemmert door hun beperkte zicht. In een kwart van de gevallen hebben zij ook een motorische beperking, waardoor zij wellicht minder vaak buiten actief zijn.
  • Leerlingen uit het speciaal onderwijs spelen veel minder vaak buiten dan hun leeftijdsgenoten uit het landelijk bevolkingsonderzoek NSO (2011). Hiervan speelt namelijk 90% één of meer dagen per week buiten.

Bron: (On)beperkt Sportief 2013

Sportdeelname

Ruim twee derde van de leerlingen met een verstandelijke en/of motorische beperking deed in 2012 (1-meting) buiten schooltijd minstens één keer per jaar aan sport. Het percentage niet-sporters is daarmee sinds deelname aan Special Heroes iets afgenomen. In 2010 sportte 34% van deze leerlingen niet, in 2012 was dit 31%. Bij de leerlingen uit de andere clusters is alleen een 0-meting uitgevoerd. De sportdeelname (minstens één keer per jaar) van leerlingen met een visuele beperking (70%, 0-meting) en (ernstige) gedragsproblemen (68%, 0-meting) is vergelijkbaar met die van de leerlingen met een verstandelijke en/of motorische beperking. Leerlingen met een auditieve beperking sporten iets vaker minstens één keer per jaar dan de andere groepen (73%, 0-meting). Van de kinderen en jongeren die via het landelijke bevolkingsonderzoek NSO (2011) zijn bevraagd deed 84% minstens één keer per jaar aan sport.

Een kwart van de leerlingen met een visuele beperking en verstandelijke en/of motorische beperking sport minstens één keer per week. Van de leerlingen met een auditieve beperking doet 37% dit. Leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen sporten het vaakst één keer per week (45%), vaker dan leeftijdsgenoten uit het landelijke bevolkingsonderzoek NSO (2011) (38%). 

Bron: (On)beperkt Sportief 2013

Bij cluster 3-leerlingen is er een verschil in sportdeelname naar de aard van de beperking/problematiek. Onder leerlingen met een motorische beperking is de sportdeelname het laagst (36% geen sportdeelname) en ook leerlingen met een meervoudige beperking sporten relatief iets minder vaak (33% geen deelname). Leerlingen met een verstandelijke beperking (28% geen sportdeelname) en langdurige ziekte (25% geen sportdeelname) nemen iets vaker deel.

Ook bij cluster 4-leerlingen is er een verschil in sportdeelname naar de aard van de problematiek. Onder leerlingen met emotionele problemen is de sportdeelname het laagst (37% geen sportdeelname). Bij leerlingen met hyperactiviteit is de sportdeelname het hoogst (30% geen sportdeelname) en in deze groep bevinden zich ook de meest frequente sporters (51% sport minstens één keer per week).

Frequentie sportdeelname buiten de school in de afgelopen twaalf maanden, naar aard van de beperking/problematiek, leerlingen van cluster 3- en cluster 4-scholen (in procenten)

Cluster 3 (2012)  Totaal Motorisch Langdurig ziek  Verstandelijk Meervoudig
(n=2.867) (n=405) (n=95) (n=1.216) (n=1.151)
Niet (0 keer) 31 36 25 28 33
1-11 (<1 keer per maand 11 13 13 11 10
12-59 (<1 keer per week) 32 29 26 34 31
60-119 (1-2 keer per week) 17 15 18 18 17
>120 (>2 keer per week) 9 8 17 9 9
Cluster 4 (2011) Totaal Autisme Hyperactiviteit Gedrag Emotioneel
(n=1.161) (n=734) (n=325) (n=191) (n=114)
Niet (0 keer) 32 32 30 33 37
1-11 (<1 keer per maand 8 9 6 8 10
12-59 (<1 keer per week) 15 17 13 15 15
60-119 (1-2 keer per week) 28 29 32 22 27
>120 (>2 keer per week) 17 13 19 22 12

Bron: (On)beperkt Sportief 2013, 2013.

Lidmaatschap van een sportvereniging

Bij de leerlingen met een verstandelijke en/of motorische beperking is in 2012 (1-meting) 51% lid van een sportvereniging (zie tabel 5). Bij de 0-meting was dit 46%. De toename heeft deels te maken met de introductie van de schoolsportclubs waarvan 5% aangeeft lid te zijn. Ook is het percentage leerlingen dat lid is van een vereniging met aparte groepen voor mensen met een beperking (+1%) en een reguliere vereniging met aandacht voor mensen met een beperking (2%) sinds deelname aan Special Heroes gestegen. Leerlingen met een visuele beperking en (ernstige) gedragsproblemen zijn duidelijk minder vaak lid van een sportvereniging (41% resp. 43% is lid). Het lidmaatschapspercentage van leerlingen met een motorische beperking is vergelijkbaar met dat van leerlingen met een motorische en/of verstandelijke beperking (49%). De leerlingen uit het speciaal onderwijs zijn minder vaak lid van een sportvereniging dan hun leeftijdsgenoten uit het landelijke bevolkingsonderzoek NSO (2011). Hiervan is namelijk 65% lid van een sportvereniging.

Leerlingen in het speciaal onderwijs zijn lid van verschillende typen sportverenigingen. Leerlingen met een visuele (19%) of auditieve beperking (39%) zijn het vaakst lid van een reguliere vereniging zonder aandacht voor mensen met een beperking. Hetzelfde geldt voor leerlingen met (ernstige)gedragsproblemen. Zij zijn het vaakst lid van een reguliere vereniging zonder team of sportuur voor kinderen en jongeren uit het speciaal onderwijs (33%). Leerlingen met een motorische en/of verstandelijke beperking zijn daarentegen het vaakst lid van een vereniging die exclusief is voor mensen met een beperking (16%).

146 jeugd vereniging
* Alleen meegenomen bij 1-meting cluster 3. Lidmaatschap van een sportvereniging, naar type onderwijs, leerlingen speciaal onderwijs (in procenten). Bron: (On)beperkt Sportief 2013.
146 jeugd vereniging custer 4
Lidmaatschap van een sportvereniging, naar type onderwijs, leerlingen speciaal onderwijs (in procenten). Bron: (On)beperkt Sportief 2013.

Beoefende sporten

Het merendeel (58%-69%) van de leerlingen uit het speciaal onderwijs beoefent een solosport . De leeftijdsgenoten uit het landelijk bevolkingsonderzoek NSO (2011) beoefenen minder vaak solosporten (43%). Zij beoefenen daarentegen vaker teamsporten (44%) en duosporten (34%) dan leerlingen uit het speciaal onderwijs (teamsport: 20-32%; duosport: 15-26%). Leerlingen met een visuele beperking doen het minst vaak aan een teamsport (20%). Door de aard van hun beperking kunnen zij minder makkelijk (reguliere) teamsporten beoefenen. Rond de 30% van de leerlingen uit de overige clusters doet aan een teamsport. Leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen doen het vaakst aan duosporten (26%) in vergelijking met de andere groepen leerlingen met een beperking.

Bron: (On)beperkt Sportief 2013

Voetbal is de meest populaire teamsport die beoefend wordt door leerlingen in het speciaal onderwijs, met name onder leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen. Zwemmen is van de solosporten, maar ook van alle genoemde sporten, het meest populair. Leerlingen met (ernstige) gedragsproblemen beoefenen deze sport minder vaak dan leerlingen uit de andere clusters. Fietsen en wandelen zijn ook veel beoefende solosporten. Zoals reeds vermeld zijn de duosporten minder populair.

Beoefende sporten in de afgelopen twaalf maanden, naar type onderwijs, leerlingen speciaal onderwijs (in procenten)

Cluster 1 (2011)  Cluster 2 (2011) (Cluster 3 2012)  Cluster 4 (2011)
(n=239) (n=725) (n=2.867) (n=1.161)
Basketbal 2 2 1 4
Handbal 1 1 1
Hockey 1 2 5 2
Korfbal 1 1 1
Voetbal 16 23 19 26
Volleybal 1 1 1 2
Andere teamsporten 2 3 3 4
Team (totaal) 20 31 28 32
Dansen 8 8 13 7
Fietsen 24 27 25 24
Fitness, aerobics 14 5 8 11
Gymnastiek, turnen 8 6 8 5
Hardlopen, atletiek 5 5 4 6
Paardrijden 13 8 14 8
Schaatsen 10 7 6 6
Wandelen 18 18 20 16
Zwemmen 35 42 40 27
Solo (totaal) 66 62 69 58
Badminton 2 5 2 5
Tafeltennis 2 3 2 5
Tennis 4 2 3
Judo 9 9 7 8
Overig vecht/verdediging  3 6 2 10
Duo (totaal) 15 23 14 26
Andere sport 13 9 8 13

Bron: (On)beperkt Sportief 2013, 2013.

De resultaten in dit artikel zijn gebaseerd op onderzoek dat het Mulier Instituut heeft uitgevoerd tussen 2010 en 2012 in het kader van de evaluatie en monitoring van het programma Special Heroes. Special Heroes is een sportstimuleringsprogramma voor leerlingen in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Er zijn onderzoeken uitgevoerd op alle scholen van cluster 1, 2, 3 of 4 die deelnamen aan het programma Special Heroes. Hierbij zijn ouders van leerlingen en vertegenwoordigers van aan Special Heroes deelnemende scholen bevraagd.

De resultaten van de cluster 1-, 2- en cluster 4-leerlingen zijn afkomstig van de 0-meting in 2011. De resultaten van de cluster 3-leerlingen zijn gebaseerd op de 1-meting in 2012. Deze leerlingen hebben dan al twee jaar aan Special Heroes kunnen deelnemen. Indien er relevante verschillen zijn met de 0-meting dan worden deze beschreven.

Een uitgebreidere beschrijving van de resultaten is te vinden in: Von Heijden, A., van den Dool, R., van Lindert, C., Breedveld, K., (On)beperkt Sportief 2013 – Monitor sport- en beweegdeelname van mensen met een handicap. Utrecht: Mulier Instituut; 2013.

Lees ook: Feiten en cijfers over het aantal mensen met een beperking.

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.