Sluiten

Duurtraining vermindert effect krachttraining

Artikel

Geplaatst op 31 mei 2012

Geplaatst op 31 mei 2012

Een combinatie van kracht- en duurtraining leidt tot minder krachttoename dan alleen het uitvoeren van krachttraining. Deze conclusie trekken sportwetenschappers uit Oslo uit een studie bij 12 goedgetrainde wielrenners en 9 recreanten.

Schaatsers, zwemmers en tal van andere sporters hebben kracht én duurvermogen nodig. Het trainingsprogramma moet dus uit zowel kracht- als duurtrainingen bestaan. Maar wat is nu de ideale afstemming tussen beide trainingsvormen? Rønnestad en zijn collega’s zetten een stap in de richting van het beantwoorden van dit soort vragen. Zij hebben een groep goedgetrainde wielrenners zowel kracht- als duurtrainingen laten uitvoeren terwijl tegelijkertijd een groep recreanten alleen dezelfde krachttraining deed.

Na afloop van het krachttrainingsprogramma van twaalf weken was iedereen sterker. De recreanten werden echter gemiddeld 35 procent sterker en de wielrenners gemiddeld 25 procent. Ook de omvang van de bovenbeenspieren van de recreanten nam sterker toe dan die van de wielrenners. Beide groepen voerden hetzelfde krachttrainingsprogramma uit, waarbij twee keer per week werd getraind om de kracht van de benen te verhogen. Geen van de wielrenners of recreanten had ervaring met krachttraining. Naast de krachttraining fietsten de wielrenners gemiddeld nog tien uur per week. Wanneer de wielrenners op één dag zowel de kracht als het uithoudingsvermogen trainden werd altijd eerst op kracht getraind. De recreanten trainden het uithoudingsvermogen nog maximaal één keer per week.

De Noorse onderzoekers komen met een nogal wonderlijke verklaring voor de gevonden verschillen. Ze zoeken de oorzaak namelijk niet in de fysiologie, maar in de voedselinname. Hoewel de wielrenners aanzienlijk meer tijd staken in de duurtrainingen, aten ze zowel qua samenstelling als qua omvang evenveel als de recreanten. Mogelijk aten de wielrenners precies genoeg om op gewicht te blijven, terwijl de recreanten te veel aten en dus energie over hadden. Om een spier in omvang toe te laten nemen zou deze ‘extra’ energie weleens belangrijk kunnen zijn. Een dikkere spier betekent echter niet per definitie een sterkere spier. Een kanttekening bij de gehele studie is dat het vezeltype van de wielrenners en de recreanten niet bekend was. Mogelijk hadden de wielrenners door hun jarenlange duurtraining meer type 1 vezels dan de recreanten. Van type 1 vezels is bekend dat ze als gevolg van krachttraining minder in omvang toenemen dan type 2 vezels. Het staat dus niet vast dat de mindere krachttoename van de getrainde wielrenners valt toe te schrijven aan het andere trainingsregime.

Atleten die zowel op kracht als op uithoudingsvermogen trainen moeten er dus rekening mee houden dat de krachttraining een minder groot effect heeft dan ze wellicht denken of verwachten. Dit geldt alleen als de kracht- en de duurtrainingen dezelfde spiergroepen belasten. Of de kracht van bijvoorbeeld de armen minder toeneemt als de duurtraining gericht is op de benen en vice versa is niet duidelijk.

Rønnestad BR, Hansen EA, Raastad T (2012) High volume of endurance training impairs adaptations to 12 weeks of strength training in well-trained endurance athletes. Eur. J. Appl. Physiol., 112: 1457-1466.
Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.