Sluiten

Dag van het Sportonderzoek: corona legt nieuwe kennisvragen bloot

Artikel

Publicatiedatum 9 november 2020

De Dag van het Sportonderzoek (DSO) beleeft in 2020 zijn elfde jaargang – online welteverstaan. Het thema ‘Iedereen aan zet’ sluit aan bij de ontwikkeling dat beleidsmakers, sportaanbieders én gebruikers intussen zelf mede-producenten zijn van kennis. Founding fathers Cees Vervoorn (Kenniscentrum Sport & Bewegen) en Jo Lucassen (Mulier Instituut) reflecteren op hoe het sportonderzoek de afgelopen jaren steeds dichterbij de praktijk is komen staan, wat dat heeft opgeleverd en wat de toekomst brengt.

De founding fathers van de DSO, vertel: hoe komen jullie aan deze bijnaam?

Cees Vervoorn, lachend: “Onze naam als founding fathers is niet helemaal juist. Dat is feitelijk Koen Breedveld geweest. De instituten waar wij voor werken zijn de initiatiefnemers van de Dag van het Sportonderzoek. Wel zijn wij er vanaf het begin persoonlijk bij betrokken geweest. Jo vanuit het Mulier Instituut en ik als decaan van de faculteit Bewegen, Sport en Voeding van de Hogeschool van Amsterdam: de gastheer van de tweede editie van de DSO in 2010.

Destijds was het belangrijk dat een hbo-instelling de dag zou organiseren, omdat daar in die tijd de eerste lectoraten ontstonden. Bovendien leiden hbo’s veel van de toekomstige sport- en beweegprofessionals op. Maar vanaf het begin was de missie om tijdens de DSO álle onderzoekende partijen in het veld – dus ook universiteiten en andere groepen – kennis te laten presenteren en te verbinden. Dat kreeg de afgelopen tien jaar steeds meer invulling en heeft tot nieuwe samenwerking geleid.”

De DSO bestaat inmiddels elf jaar. Wat is het belang van deze dag?

Cees: “Vanaf het begin hebben we ingezet op kennisdeling. Met de nadruk op kennis die in de praktijk toepasbaar is voor zowel professionals uit het sport- en beweegveld, als voor beleidsmakers. Deelname van eigen onderwijsmedewerkers en studenten was ook een speerpunt: zij zijn én worden immers drager en eigenaar van de gepresenteerde kennis en inzichten.”

De DSO streeft naast kennisdeling ook naar meer ontmoeting en samenwerking. Dat was twintig jaar geleden nog niet vanzelfsprekend binnen de onderzoekswereld. “Bij hbo’s – en dus ook op de DSO – staan vaak sociale, maatschappelijke en beleidsmatige thema’s centraal”, ligt Jo Lucassen toe. “Terwijl universiteiten van oudsher meer inzetten op thema’s als innovatie, sportmedisch en technologisch onderzoek. Intussen zien ook universiteiten dat een praktijkgerichte benadering zinnig is. Bij financiering van sportonderzoek wordt bovendien ingezet op het vormen van consortia van onderzoek, beleid en praktijk; samenwerking van hogescholen en universiteiten is een voorwaarde voor financiering van nieuw onderzoek. Het zijn geen gescheiden geldstromen meer.”
De beoogde samenwerking heeft ook op andere manieren vorm gekregen. Zo is het Sportlectorenplatform opgericht (mogelijk gemaakt door SIA) en er is structurele samenwerking tussen hbo en wo in het Watertorenoverleg.

Hoe zorg je dat de praktijk de onderzoeksresultaten ook echt gebruikt?

“Daar hebben we in het begin nog wel mee geworsteld”, blikt Jo terug. “Hoe bereiken we de mensen die al de kennis in hun dagelijkse werk moeten gebruiken? Intussen hebben we een slag in de goede richting gemaakt. Ten eerste focussen de presentaties op de DSO meer op de meerwaarde voor de praktijk. Ten tweede zien we ook een grotere variëteit aan soorten bezoekers op de DSO. Van trainers uit de eredivisie, tot sportwetenschappelijke journalisten.”

Cees vult aan met enkele voorbeelden van hoe de praktijk het onderzoek inzet. “Een onderzoek naar belasting en belastbaarheid kon rekenen op interesse van het Ministerie van Defensie. Zij namen contact met ons op, omdat ze de kennis graag wilden inzetten in het trainen van nieuwe rekruten. Voor hen was de noodzaak voor deze nieuwe kennis helder: zij constateerden namelijk een zekere bewegingsarmoede bij nieuw personeel. Er was een inhaalslag nodig in de eerste fase van de militaire opleiding. Maar: die inhaalslag moet je ook weer niet te snel doen, want dan is de kans op blessures groot. Mooi dat zij zo de kennis over belastbaarheid konden inzetten en ook de middelen hebben om tot implementatie over te gaan.”

Ook het onderzoek van het Mulier Instituut naar kansen en ontwikkelingen voor sportverenigingen wordt genoemd als voorbeeld van implementatie in de praktijk. Jo: “Op basis van ons onderzoek ontwikkelden we een Vitaliteitsscan. Die wordt intussen gebruikt door gemeenten en verenigingsondersteuners. Het is een handige tool om de sport lokaal systematische en grondig door te lichten.”

Thema 2020: Iedereen aan zet!

In de DSO-editie van 2020 staat een nieuwe vorm van kennisontwikkeling centraal. Jo licht toe wat ‘Iedereen doet mee!’ betekent: “Door ontwikkelingen in de ict, groei van social media en big data kunnen we onderzoeksdata nu veel beter verzamelen. En ook resultaten van onderzoek sneller verspreiden. Zo spelen gebruikers en beleidsmakers tegenwoordig een rol in de productie van kennis.”

Cees: “Dit zien we in de zorg bijvoorbeeld al langer terug, daar is veel aandacht voor de input van ervaringsdeskundigen in onderzoek. Burgerparticipatie bij onderzoeks- en ontwikkelprojecten heeft veel voordelen. Van opschaling, tot betrokkenheid en van ontwikkeling van nieuwe methoden, tot meer begrip voor beleid en wetenschap.

In de sport passen we dat ook steeds meer toe. Zo ben ik betrokken bij het ontwikkelen van de nieuwe onderzoeksagenda van sport en bewegen en die vraagarticulatie komt grotendeels uit de praktijk. De eindgebruikers bepalen de onderzoeksrichting. Hogescholen en universiteiten sturen bewust op het betrekken van praktijkorganisaties, zoals sportbonden, of verzekeraars. ZonMW – dat veel sportonderzoek financiert – heeft bovendien in hun policy opgenomen dat de implementatie van het onderzoeksresultaat speerpunt moet zijn.”

Jo geeft nog een voorbeeld uit zijn eigen werk: “Ik ben gedetacheerd bij de KVLO. Daar voerden we ledenpeilingen over de ontwikkeling van het vak. We hebben uitgevraagd onder gymdocenten welke kennislacunes zij ervaren. En bijvoorbeeld ook welke kennis zij missen om de kernopdrachten uit het nieuwe curriculum goed uit te voeren. Deze input nemen we mee in de ontwikkeling van onze onderzoeksagenda.”

Kansen door corona

De DSO wordt vooral bezocht door onderzoekers en beleidsmakers uit de publieke sector. De commerciële sport is nog minder aanwezig. Toch liggen daar grote vraagstukken én grote kansen, aldus Cees. “Corona legt echt het vergrootglas op sportondernemers. Zij hebben dringend behoefte aan nieuwe kennis over hoe als branche om te gaan met de nieuwe uitdagingen. Ook verschuift de nadruk steeds meer van sport naar bewegen, en van bewegen naar preventie. Sportondernemers kunnen een grote rol pakken in leefstijlvraagstukken.

Voor sport in een 1,5m-maatschappij, lijken creatieve oplossingen de enige uitweg. Samenwerken is dan essentieel. We vinden de oplossing niet meer enkel in ons eigen domein of onze eigen sector. Je hebt co-creatie nodig om elkaar te inspireren tot niet eerder bedachte antwoorden.”

Jo Lucassen benadrukt dat er ook op de lange termijn nog grote vraagstukken liggen voor sportonderzoek. “De ambities in de sport zijn al jarenlang hetzelfde: we willen qua topsport meedoen in de internationale top 10. Tegelijk zien we ook al twintig jaar het hardnekkige probleem dat grote groepen in Nederland niet participeren in sport en bewegen. Net als het klimaatvraagstuk kunnen we hier niet omheen en zijn er geen pasklare oplossingen voor. En door corona zien we overgewicht bij volwassenen én kinderen weer toenemen. Ook dáár hebben we passende kennis, goed geïnformeerde beweegaanbieders en een sterke sportinfrastructuur voor nodig. Sport is er niet alleen voor de gezelligheid, het kan een hoop opleveren. Er is nu kans op een goede genuanceerde discussie, met de juiste partijen.”

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.