Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Cryotherapie; thuiskomen van een koude kermis?

Artikel

Geplaatst op 21 december 2011

Geplaatst op 21 december 2011

Dit artikel van Hausswirth et al. heeft recentelijk de nodige aandacht gekregen in de media (o.a. www.nu.nl en NRC). Het Topsport Topics team heeft dit artikel samengevat en geeft aan dat er zeer ernstige twijfels zijn over de conclusies die Hausswirth et al trekken. Conclusies die overigens overgenomen werden in de media.

Cryotherapie, oftewel in een zeer koude (-110/-140 graden Celsius) kamer verblijven, is een herstelmethode die meer en meer aandacht krijgt in de sportwereld. Hausswirth et al. beweren een vergelijking te maken tussen drie herstelvormen: cryotherapie, infraroodbehandeling en passief herstel.

Negen goed getrainde duurlopers (gemiddelde marathontijd en VO2max van respectievelijk 2:45:38 en 62 ml/min.kg) namen deel aan de studie. Er moesten drie identieke looptesten op een lopende band afgelegd worden. De test duurde 48 minuten en was zodanig ingericht dat er spierschade veroorzaakt werd (er werden o.a. stukken ‘bergaf’ hardgelopen). Gemiddeld zat er een maand tussen elke test. Na de looptest werden drie herstelvormen random aangeboden. Cryotherapie: drie minuten in zwemkleding bij -110 graden Celsius, aangevuld tot dertig minuten herstel door middel van het zitten in een stoel bij kamertemperatuur, infraroodtherapie: dertig minuten in zwemkleding onder een infraroodlamp bij 45 graden Celsius, of een passief herstel: dertig minuten in een stoel zitten bij kamertemperatuur. Het herstel werd bepaald aan de hand van maximale spierkracht van de kniestrekkers, mate van ervaren pijn en creatinekinasewaarden (indicator voor spierschade). De metingen werden voor, direct na, 1, 24 en 48 uur na de looptest afgenomen.

Bij alle drie herstelvormen stegen de creatinekinasewaarden in de tijd. Direct na de looptest waren de waarden verhoogd en deze waarden bleven toenemen na 48 uur ten opzichte van de waarden voor de looptest.

Bij de maximale spierkracht was er een ander beeld zichtbaar. Er werd gedurende 48 uur geen verandering in spierkracht gevonden bij het passieve herstel. Na de infraroodtherapie nam de spierkracht na 24 uur toe en bleef deze daarna constant. De spierkracht na cryotherapie nam na één uur toe en bleef daarna constant.

De ervaren pijn verminderde niet in de tijd bij het passieve herstel. Na de infraroodtherapie verminderde de ervaren pijn na 48 uur. Na de cryotherapie verbeterde dit één uur na de looptest en bleef het daarna gelijk.

Hausswirth et al. concluderen dat cryotherapie de beste herstelvorm is, omdat dit het snelste herstel op spierkracht en zelf ervaren pijn laat zien. Het grote bezwaar tegen deze conclusie is dat de betreffende auteurs het herstel in de tijd binnen een aangeboden herstelvorm lijken te gebruiken om conclusies te trekken over de verschillen tussen de herstelvormen. Er werd echter niet aan de hand van statistiek getoetst of er verschillen zijn tussen de drie herstelvormen. Er valt dus over een eventueel verschil tussen de herstelvormen niets te zeggen. Verder wisten de deelnemers, uiteraard, welke vorm van herstel werd toegepast. Het is onduidelijk of er sprake is van een placebo-effect. Dit is niet ondenkbaar gelet op het feit dat bij de enige objectieve maat, creatinekinasebepaling, het verloop van de toename op de gemeten tijdstippen bij alle drie herstelvormen op dezelfde manier plaatsvond. Stel dat dit placebo-effect toch niet heeft plaatsgevonden, dan is het erg onduidelijk welk fysiologisch principe aan het herstel ten grondslag zou liggen, aangezien zowel infraroodtherapie als cryotherapie (verschil in temperatuur van 155 graden Celsius) veelal hetzelfde verloop van herstel liet zien over de verschillende tijdstippen.

De conclusies die de auteurs trekken naar aanleiding van het onderzoek moeten sterk in twijfel worden getrokken vanwege bovengenoemde voorbeelden van kritiekpunten. Aan de hand van deze studie kan geen enkele uitspraak gedaan worden over welke vorm van herstel aan te raden is na een belastende duurinspanning.

Hausswirth C, Louis J, Bieuzen F, Pournot H, Fournier J, Filliard JR, Brisswalter J (2011) Effects of whole-body cryotherapy vs. far-infrared vs. passive modalities on recovery from exercise-induced muscle damage in highly-trained runners. PLOS one, 6(12): e27749.
Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.