Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Sluiten

Communities in Beweging (CiB)

Interventie

Erkenning

Goed onderbouwd

Communities in Beweging (CiB) is een aanpak die erop gericht is om groepen mensen met een gezondheids- en beweegachterstand, vanwege sociaal-economische redenen, te stimuleren tot bewegen en een actieve leefstijl. Het gaat hierbij om duurzame of langdurige gedragsverandering. Om dit te bewerkstelligen is in de aanpak veel aandacht voor actieve participatie en empowerment van de doelgroep. CiB wordt lokaal opgezet en uitgevoerd vanuit een samenwerkingsverband tussen organisaties zoals Gemeente, GGD, sportorganisaties en Welzijn. CiB is een vraaggerichte interventie en sluit aan bij de behoeften en wensen van de doelgroep en bij de lokale context.

Probleembeschrijving

Kenmerken risico of probleem
Allochtone vrouwen, en met name Turkse en Marokkaanse vrouwen voldoen het minst vaak aan de beweegnorm, doen het minst aan sportbeoefening en zijn minst vaak lid van een sportvereniging ten opzichte van autochtone vrouwen (zie ook paragraaf 3).

Lichamelijke inactiviteit vormt één van de belangrijkste onafhankelijke risicofactoren voor de gezondheid. Inactiviteit draagt bij aan vroegtijdige sterfte en aan de kans op hart- en vaatziekten, diabetes mellitus, osteoporose en colonkanker (Wendel-Vos et al., 2005a). Ook literatuurstudie (Proper en Van Zaanen, 2008) bevestigt dat er voldoende aanwijzingen zijn voor een relatie tussen ‘sedentair gedrag’ en overgewicht/obesitas, en een verhoogd risico op diabetes. Er bestaat een omgekeerde relatie tussen lage SES en overgewicht (Dowler, 2001). Het percentage mensen met overgewicht en obesitas stijgt de laatste jaren aanzienlijk, vooral bij mensen met een lage SES. Voldoende lichamelijke activiteit zorgt voor behoud van gezondheid, maar ook voor een gunstiger verloop van een aantal ziekten en het optreden van tal van andere chronische aandoeningen. Voorts voelen sporters en mensen die voldoende bewegen zich gezonder (Tiessen-Raaphorst et al., 2005). Dijkshoorn et al. (2003 en 2008) hebben gevonden dat er etnische verschillen zijn als het gaat om de prevalentie van overgewicht onder eerste generatie migranten in Amsterdam. Zelfs na correctie voor factoren zoals sociaal economische status komt overgewicht meer voor. Laag opgeleide Turkse vrouwen hebben significant vaker overgewicht. Ook andere studies in Amsterdam (Cornelisse-Vermaat en Maassen van den Brink, 2007; Hosper et al., 2007; Uitenbroek et al., 2006) en in West Europa (Uitewaal et al., 2004) laten zien dat immigranten een groter risico hebben op overgewicht en een significant hogere BMI hebben dan de autochtone bevolking. Hosper et al. (2007) hebben de onderliggende gedragsdeterminanten onderzocht bij Marokkaanse en Turkse migranten van 15-30 jaar in Amsterdam. Zowel in de 1e al de 2e generatie migranten vrouwen kwam meer overgewicht en minder fysieke activiteit voor vergeleken met autochtone vrouwen. Wel gaan latere generaties meer op de autochtone bevolking lijken voor overgewicht en bewegen. Bij Marokkaanse vrouwen was dit in mindere mate het geval dan bij Turkse vrouwen. Verblijfsduur houdt verband met sportdeelname. Hoe langer men in Nederland woont, hoe vaker men sport. 

Met risico of probleem samenhangende factoren
Te weinig bewegen is een oorzaak van ongezondheid. Mensen die te weinig bewegen zijn in het algemeen ongezonder dan mensen die voldoende bewegen. Te weinig bewegen is vaak onderdeel van een ongezonde leefstijl (Tiessen-Raaphorst et al., 2005). De invloed van de omgeving op beweeggedrag wordt steeds meer onderkend. Giles-Corti en Donovan (2002) hebben de relatieve invloed van individuele, sociale en fysieke determinanten van bewegen onderzocht in een gemeente in Australië. De conclusie is dat complementaire strategieën nodig zijn waarbij alle determinanten geadresseerd worden.

Onderzoek laat zien dat een deel van de Nederlanders die niet aan de beweegnormen voldoen aangeeft dat het niet goed lukt om meer te gaan bewegen doordat de partner/familie weinig beweegt en dat vanuit de sociale omgeving bewegen niet gestimuleerd wordt (Ooijendijk et al., 2008). Uit de nationale gezondheidstest, gehouden in 2004 onder 2330 mensen, blijkt dat mensen behoefte hebben aan een maatje om te bewegen (Jans et al., 2007). Ook het belang van de fysieke omgeving is onderkend: de toegankelijkheid van voorzieningen en recreatieve ruimten staan in relatie tot (meer) bewegen (Wendel-Vos et al., 2005b) en het aanwezig zijn van een aantrekkelijk groene omgeving zet aan tot wandelen en fietsen (RMNO, 2007).

Symons Downs en Hausenblas (2005) concluderen in hun review van 47 onderzoeken naar opvattingen over beweeggedrag dat de opvattingen van familieleden grote invloed hebben opbeweeggedrag, evenals de eigen overtuiging dat bewegen goed is voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Bevorderende factoren voor beweeggedrag zijn gemak, plezier en ondersteuning uit de omgeving. Dit betekent bijvoorbeeld dat progamma’s toegankelijk of laagdrempelig moeten zijn, de activiteiten plezierig moeten zijn, deelnemers wekelijks herinnerd moeten worden om te bewegen en de voordelen van bewegen benadrukt moeten worden en de deelnemers geholpen moeten worden om over barrières te stappen. Fysieke beperkingen, het hebben van geen toegang tot voorzieningen, gebrek aan motivatie en gebrek aan sociale ondersteuning uit de omgeving weerhouden mensen ervan om te gaan bewegen. De opvattingen over bewegen zijn in verschillende populaties anders en kunnen ook veranderen, hetgeen van invloed is op de attitude, sociale norm en eigeneffectiviteit ten aanzien van bewegen. Daarom is het belangrijk om de attitude van de doelgroep over bewegen te identificeren om verandering in beweeggedrag te bewerkstelligen. Er zijn weinig studies die in gaan op kenmerken van de doelgroep (Symons Downs en Hausenblas, 2005). Aangeraden wordt om niet af te gaan op algemene kenmerken van een etnische groep, maar uit te gaan van de groep en rekening houden met culturele verschillen binnen de groep (Taylor et al., 1998).

In 2003 en 2004 zijn in Nederland 258 Turkse en 170 Marokkaanse jonge vrouwen geïnterviewd over de factoren die bijdragen tot deelname aan sportactiviteiten (Hosper et al., 2008). Turkse en Marokkaanse vrouwen die de voordelen van sporten inzien en minder op hebben met de nadelen en cultureel specifieke attitude ten aanzien van sport en een hogere eigeneffectiviteit hebben ten aanzien van sport sporten meer. De geringe sportdeelname van vooral Turkse en Marokkaanse vrouwen wordt onder andere verklaard door de (sport-)cultuur in het land van herkomst. Bijvoorbeeld kledingvoorschriften kunnen van invloed zijn op sportdeelname.

Doelgroepen

CiB is bedoeld voor mensen met lage SES en met een beweegachterstand, mensen die niet voldoen aan de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (NNGB) zoals vastgesteld in 1998 (Kemper et al., 2000). De norm is verschillend voor jongeren, volwassenen en ouderen en is vastgesteld op minimaal 5 dagen per week 30 minuten matig intensief bewegen. Omdat mensen met een lage SES minder vaak voldoen aan de norm, richt CiB zich op verschillende groepen met een lage SES, zoals allochtone vrouwen, allochtone meiden, kinderen en (VMBO-)jongeren en hun ouders. Ook is er ervaring met groepen voor (allochtone) ouderen, mensen met een verstandelijke handicap en moeilijk lerende kinderen.

Het bedienen van meerdere doelgroepen door CiB kan doordat het een interventie is die op werkprincipes is gebaseerd. Door het toepassen van de werkprincipes wordt aangesloten bij de 3 behoeften en wensen van de doelgroep en de locale context.

CiB is maatwerk voor iedere doelgroep. Dit betekent dat CiB geen kopieerbaar product is. In de praktijk wordt veeleer creatief omgegaan met de mogelijkheden en kansen die zich voordoen dan het trouw volgen van een interventie protocol. CiB is dus niet een ‘best package’ omdat daarvoor de voorwaarde onder andere is dat er een homogene doelgroep is en een stabiele organisatie, maar een ‘best principles’ interventie. Dit sluit aan bij de principes van gezondheidsbevordering en is in community projecten het meest geschikt (Saan en De Haes, 2008). CiB heeft tot nu toe het meeste ervaring opgedaan met allochtone vrouwen en meiden met een lage SES. Om deze reden wordt in dit werkblad de resultaten behaald met deze groepen gebruikt voor de onderbouwing van CiB. CiB is voor meer doelgroepen met een lage SES bedoeld. Wat voor welke doelgroep werkt hangt af van de (sociaal-culturele) kenmerken, wensen en het niveau van de doelgroep.

Intermediaire doelgroep

..

Doel van het sport- en beweegaanbod

Hoofddoel

Het hoofddoel van het project CiB is het stimuleren van mensen met een beweegachterstand om meer en regelmatig te bewegen. Uiteindelijk moet dit doel leiden tot een duurzaam actieve leefstijl. Het hoofddoel van CiB sluit aan bij het kabinetsbeleid (Ministerie van VWS 2001; 2005). De aanpak van CiB kan ook andere maatschappelijke doelen dienen, zoals mensen uit het sociale isolement halen en allochtone vrouwen en jongeren activeren.

Het doel van NISB is dat lokaal samenwerkingspartners, dit zijn bijvoorbeeld medewerkers van GGD’en, gemeenten, welzijnswerkers en sportorganisaties, CiB opstarten en uitvoeren op basis van de werkprincipes. De samenwerkingspartners formuleren vervolgens samen met de doelgroep

Subdoel

De subdoelen zijn gericht op het stimuleren van een duurzame en actieve leefstijl bij de betreffende doelgroep. De subdoelen verschillen afhankelijk van de locatie, doelgroep en context. Op het niveau van het individu kunnen subdoelen geformuleerd worden rondom:

  • Bewegen: meer bewegen in de groep, meer bewegen in het dagelijks leven, meer bewegen met mensen uit de directe omgeving.
  • Kennis en bewustzijn: over de beweegnorm, gezond bewegen en eten, voorzieningen in de fysieke omgeving (wandelroutes, sportfaciliteiten, winkels).
  • Motivatie, attitude en vaardigheden om te bewegen.

Op het niveau van de community kunnen subdoelen geformuleerd worden rondom:

  • Doelgroepparticipatie in verschillende fasen.
  • Fysieke en sociale omgeving.
  • Intersectorale samenwerking.
  • Structurele inbedding.

Indien het effect van CiB gemeten wordt, moeten doelen SMART geformuleerd worden: Bijvoorbeeld: x % van de deelnemers aan CiB na deelname voldoet aan de norm voor gezond bewegen, x % van de deelnemers aan CiB kent na deelname de norm voor gezond bewegen in detail, de doelgroep is actief betrokken bij de ontwikkeling van activiteiten (functionele participatie) of de doelgroep zet na afloop van CiB zelf nieuwe activiteiten op.

Aanpak (opzet interventie, locatie en uitvoerders)

Opzet van de interventie

volgt nog

Locaties en Uitvoering

De doelgroep is bepalend voor de setting van CiB. De locatie van de bijeenkomsten is afhankelijk van de setting, de doelgroep en de beweegactiviteit waar het om gaat. Het is bijvoorkeur een locatie die al bekend is voor de doelgroep en die bereikbaar en toegankelijk is (laagdrempelig) zoals een buurthuis, een wijkgebouw of een school. Afhankelijk van de (beweeg) activiteit kan het ook een sportaccommodatie zijn (bijvoorbeeld gymzaal of zwembad) of een supermarkt (in geval een supermarktrondleiding onderdeel is van het programma).

Ondersteuning

CiB is gebaseerd op samenwerking tussen organisaties zoals gemeente, sportbuurtwerk, welzijnswerk en GGD. Minimaal zijn twee samenwerkingspartners nodig, bij voorkeur meer. Afhankelijk van de fase van Cib kan gekeken worden welke samenwerkingspartners in meer of mindere mate betrokken moeten zijn. De samenwerking biedt mogelijkheden om (nieuwe) groepen te bereiken en de groepen vanuit meerdere kanten te stimuleren tot een actieve leefstijl. Organisaties dragen vanuit hun eigen invalshoek en expertise bij aan CiB. Bijvoorbeeld de vorming van beleid rondom bewegen (gemeente), plezier en toename in bewegen (sportbuurtwerk), groepsprocessen, empowerment en participeren (welzijnswerk) en kennis over gezondheid en gezond eten (GGD). Instrumenten die intersectorale samenwerking ondersteunen zijn onder andere ‘Een praktisch knelpunt vanuit meerdere perspectieven bekeken’ (79) en ‘Taken en rollen analyse’ (80).

Materialen

  • Handboek CiB. Verkrijgbaar bij NISB
  • Werkvormenbundel: Meedoen en meebewegen, hoe doe je dat? Werkvormen uit projecten met een Community Aanpak gericht op een gezonde en actieve leefstijl. Verkrijgbaar bij NISB. Ook te downloaden via http://www.communitiesinbeweging.nisb.nl/
  • Instructie DVD Communities in Beweging. Verkrijgbaar bij NISB
  • Doe mee. Beweeg mee. Eindrapport Communities in Beweging (2003-2006).
  • Nieuwsbrieven.

Oordeel commissie

Communities in Beweging is een sympathiek programma dat zich zowel op de omgevingsfactoren als het gedrag richt. De interventie is geen kant en klaar programma maar beschrijft werkprincipes die uitgangspunten zijn bij de uitvoering van de interventie. Deze werkprincipes zijn goed beschreven en onderbouwd.

Uitvoerbaarheid

Intersectorale samenwerking lijkt een belangrijk onderdeel, maar is nog te vrijblijvend ingevuld. Veel van het succes hang af van enthousiaste projectleiders of instructeurs.

Organisatie

Organisatie: Kenniscentrum Sport
Telefoon nummer organisatie: 0318 490 900

Contactpersoon

Naam: Anita Vlasveld
Email: anita.vlasveld@kcsport.nl

Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.