Sluiten

Baten van de sport- en beweeginfrastructuur beter belicht

Artikel

Publicatiedatum 6 oktober 2020

Gemeenten investeren grote bedragen in sport en bewegen. Veruit het meeste geld gaat naar de infrastructuur: sportaccommodaties en de openbare ruimte. Daarbij rijst de vraag: wat levert die investering in infrastructuur eigenlijk op? Meerdere economische onderzoeken wijzen uit dat er flinke baten zijn. In dit uitgebreide artikel zetten we de uitkomsten van een aantal van die onderzoeken op een rij. Zodat de discussie over kosten en baten goed in balans komt.

Investeren in infrastructuur vandaag de dag

Het Nationaal Sportakkoord bevat de ambitie om Nederland te voorzien van functionele, goede en duurzame sportinfrastructuur. Binnen het akkoord is er daarom aandacht voor open sportaccommodaties, beweegvriendelijke openbare ruimte en het verduurzamen van sportaccommodaties.

Van de totale gemeentelijke sportuitgaven (€ 1.084 miljoen in 2018) gaat maar liefst driekwart naar sportaccommodaties. Daarnaast neemt het belang van een goede sport- en beweeginfrastructuur in de openbare ruimte de laatste jaren toe. En die noodzaak lijkt in deze tijd van corona groter dan ooit. In 2018 werd aan openbaar groen en (openlucht) recreatie in totaal € 1.283 miljoen uitgegeven.

Behoorlijke bedragen en dan rijst vaak de vraag: wat leveren die investeringen in infrastructuur eigenlijk op? Economisch onderzoek kan helpen hier antwoord op te geven. En draagt er ook aan bij dat in de discussies niet alleen de kosten, maar ook de baten goed belicht worden.

Studies en instrumenten

Welke studies en instrumenten zien we terug op het thema “sport- en beweeginfrastructuur”? Hoe zijn deze studies aangepakt? En wat kunnen we hieruit leren?

In dit artikel zetten we op de volgende onderdelen een aantal onderzoeksresultaten en instrumenten voor je op een rij:

  1. Baten van gebiedsontwikkeling en sportaccommodaties
  2. Baten van de openbare ruimte
  3. Baten van groen/blauw
  4. Baten van lopen en fietsen

1. Gebiedsontwikkeling en sportaccommodaties

Het meest uitgebreide instrument in economisch onderzoek is de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). In een MKBA probeer je een inschatting te maken van de positieve en negatieve financiële én maatschappelijke effecten van een project op de Nederlandse welvaart. Deze MKBA’s komen in de sport- en beweegsector maar beperkt voor. Hieronder volgen enkele voorbeelden.

MKBA Sportcampus Rotterdam

Als je bij de Sportcampus Rotterdam alleen kijkt naar kosten (€ 66,4 miljoen) en opbrengsten (€ 12,5 miljoen) van de grondexploitatie, het maatschappelijk vastgoed en de beweegprogramma’s – dan is de balans van het project negatief. Kijk je echter ook naar effecten van sport en gezondheid, dan is het eindsaldo van dit project positief (€ 4 miljoen).

Door meer sporten en bewegen verwacht men namelijk toename van de arbeidsproductiviteit en levensverwachting en afname van ziekteverzuim. Ook kan bespaard worden op bestaande programma’s rondom sociale cohesie, zijn er baten voor al bestaande sporters en gaan de schoolprestaties omhoog.

Tot slot benoemt het MKBA-rapport voor Rotterdam nog een aantal overige effecten van de Sportcampus. Namelijk het uitstralingseffect op de waarde van omliggende woningen, reistijdwinst door verbeterde verbindingen voor langzaam verkeer en een (nog) niet gemonetariseerde (betekent: in euro’s gekwantificeerde) post (PM) voor de toename in fietsgebruik. Hiermee komen de totale kosten voor de Sportcampus op € 84,3 miljoen, terwijl de baten uitkomen op € 88,3 miljoen (+PM).

MKBA Feyenoord City

De MKBA Feyenoord City gaf ook een positief saldo. Deze kwam vooral voort uit een positieve business case van het nieuwe Feyenoord stadion. Naast de economische kant benoemen de onderzoekers ook maatschappelijke baten. Zoals de verbetering van de leefbaarheid van de wijken in Rotterdam Zuid, recreatieve waarde en werkgelegenheid. Daarnaast kan de iconische waarde van dit soort objecten behoorlijk groot zijn.

KBA Zeeuw Vlaanderen

In de kosten-batenanalyse (KBA) voor Zeeuws-Vlaanderen gaat het over de vraag of voorzieningen (voetbal en tennis) meer geconcentreerd moeten worden, in verband met krimp van de bevolking. Erg bepalend in dit onderzoek zijn de hogere reiskosten door geconcentreerd aanbieden van voorzieningen. Terwijl die concentratie óók leidt tot een reductie van clubs en accommodaties en dus tot lagere huisvesting en onderhoudskosten. In dit onderzoek zijn overige (maatschappelijke) effecten niet belicht. En dat leidt in dit onderzoek tot de conclusie: terughoudend zijn met concentratie, fasering is van belang en begeleiding bij fusies is gewenst.

MKBA Abcoude

Ook in de studie rondom een zwem- en gymgebouw in Abcoude droeg een MKBA bij aan de besluitvorming. De Nooij (2017) vergelijkt in zijn onderzoek een stand-alone gymzaal met het alternatief: het zwem- en gymgebouw. Dit gebouw vraagt een extra exploitatiebijdrage van € 86.500 per jaar en een hogere borgstelling. Is het dat waard?

Afbeelding uit CROW rapport
Afbeelding uit CROW rapport

De studie kijkt naar de effecten van een zwembad, een iets grotere gymzaal en het sportgedrag. Reistijd en -kosten (€ 188.036) en gezondheidswinst (grofweg tussen de € 30.000 en € 60.000) zijn effecten die gemonetariseerd konden worden. De niet in geld gewaardeerde effecten kwamen daar nog bij: het gebouw is duurzaam en energiezuinig (milieubaten), het zorgt voor meer sociale ontmoetingen (ook door de inzet van vrijwilligers), gezondheidswinst tijdens het leven, wellicht een lagere aanspraak op WMO regelingen en een besparing op zorgkosten. Het creëert meer banen, de zwemvaardigheid en de capaciteit van de zaal in het zwem- en gymgebouw liggen iets hoger.

De jaarlijkse maatschappelijke baten (€ 217.874) van het zwem- en gymgebouw liggen daarmee hoger dan de jaarlijkse kosten (€ 86.500). Deze verhouding is erg positief en dus was de conclusie dat het te rechtvaardigen zou zijn om het zwem- en gymgebouw aan te leggen.

2. Openbare ruimte

Baten beter in beeld brengen is ook een uitdaging die speelt op het thema kwaliteit van openbare ruimte. CROW heeft in 2012 hiertoe een eerste aanzet gedaan. Hierbij gaat het om de maatschappelijke baten en kengetallen van buurtbeheer. Het onderzoek definieert buurtbeheer als duurzaam beheer, waarbij onderhoud, inrichting en sociaal vertrouwen van belang zijn. De diversiteit van effecten en baten is enorm. Maar uit gesprekken met experts en uit literatuur blijkt dat maar een klein deel van de baten (zie figuur) te kwantificeren zijn.

Deze staan samengevat in deze tabel:

Tabel uit CROW rapport
(Bron: Witteveen en Bos, UT441-2-1 Hoofdrapport Baten van beheer: gebruikersrapport, in opdracht van CROW)
  • Beter onderhouden en aantrekkelijk groen leidt volgens de onderzoekers mogelijk tot beter uitzicht en dus tot meer woongenot. Dit genot mag je uitdrukken in woningwaarde en zie je in de bovenstaande tabel dus terug als woningprijsstijging.
  • Ook een meer aantrekkelijk huis leidt tot een meer positieve beleving en dus woongenot.
  • Een besparing op de kosten van leegstand treedt op, omdat een betere ingerichte buitenruimte naar alle waarschijnlijkheid leidt tot meer mogelijkheden qua gebruik en beleving. Daardoor blijven bestaande bewoners behouden en trekt het nieuwe bewoners.
  • Het aantal verhuizingen daalt en het aantal recreatieve uitstapjes (horecabezoek en dus omzet) stijgt als het ‘sociaal vertrouwen’ stijgt. Ofwel als bewoners zich meer tot elkaar aangetrokken voelen.
  • Deze verbondenheid kan er mogelijk ook nog toe leiden dat men vanuit een verantwoordelijkheidsgevoel meer op elkaars spullen let en er dus minder gelegenheid tot delicten op straat.

Een bijdrage van Ubbels (2017) maakt de toch al indrukwekkende lijst aan baten van kwaliteitsverandering in de openbare ruimte nog langer. Hij voegt naast reistijdwinst bijvoorbeeld meer betrouwbare verbindingen toe. Ook benoemt hij leefbaarheid (zoals de effecten van geluidsoverlast), een hogere vastgoedwaarde en baten rondom natuur en water (zie tabel 3.1 in zijn bijdrage voor een nuttig totaaloverzicht).

3. Groen en water (natuurlijk kapitaal)

Water en groen als het nieuwe goud?! In Buitenhof werd op 17 mei 2020 een warm pleidooi gehouden voor meer groen in de stedelijke omgeving. Dit blijkt niet bovenaan op de agenda te staan, terwijl hier wel allerlei argumenten voor zijn. De aandacht moet ook hier dus meer uitgaan naar de maatschappelijke baten.

Baten van groen die in de uitzending even snel voorbij kwamen, zijn: CO2 adaptatie, koelen van steden, vasthouden van water bij droge perioden, opvangen water bij hoosbuien, geluidsoverlast, sociale cohesie en vastgoedwaarde. Ook gezondheid kwam uitgebreid aan bod. Met effecten op obesitas, depressie en stress, verzuim, minder medicijngebruik en doktersbezoek (lees besparing op de zorgkosten) en een hogere levensverwachting. Voor veel van deze maatschappelijke baten die pas relatief kort worden onderkend, zijn bijna geen batenkengetallen ontwikkeld waardoor ze nog lastig gemonetariseerd kunnen worden.

Het RIVM heeft modellen die acht maatschappelijke baten benoemen van groen en water. Namelijk de effecten op:

  • verkoeling van de stad
  • gezondheid (doordat er meer gelopen en gefietst wordt)
  • luchtkwaliteit
  • huizenprijzen
  • energiebesparing door de beschutting van bomen
  • energieopwekking uit (snoei)restanten van groen
  • houtproductie
  • het afvangen van koolstofdioxide om effecten van klimaatverandering tegen te gaan

Deze modellen worden benut voor kaarten in de Atlas Natuurlijk Kapitaal en als input voor het Natuurlijk Kapitaal Model. Dit is in Amsterdam gebruikt om te laten zien dat natuur en groen bijdragen aan het welzijn van Amsterdammers.

Voorbeeld Amsterdam

Een ander voorbeeld uit Amsterdam is de TEEB-studie van KPMG naar de impact van meer groen op de kosten voor zorg en verzuim. TEEB staat voor The Economics of Ecosystems and Biodiversity. Aan de hand van twee casussen kijkt de studie specifiek naar het effect van meer groen (en dus meer bewegen) op overgewicht bij jongeren en op depressie. Conclusie: 10% meer groen leidt tot een afname van 130 depressieve patiënten. En daarmee dus een jaarlijkse besparing op kosten voor zorg en verzuim van € 800.000.

Ook het effect van groen op obesitas lijkt aannemelijk (echter minder goed te kwantificeren), omdat kinderen in een groenere omgeving 15% meer buiten spelen en dan minder kans hebben op overgewicht. De onderzoekers hebben dit ‘voorzichtig’ opgeschaald naar Nederland en melden dan een besparing van € 400 miljoen op zorg (84.000 mensen minder naar huisarts) en verzuimkosten (57.000 minder ziekmeldingen op het werk).

4. Lopen en fietsen

De inzet van gezonde mobiliteit geeft positieve maatschappelijke gezondheidsopbrengsten, vooral door het meer bewegen.

Lopen loont (CROW, 2014) deelt de baten van investeren in lopen in per beleidssector.

  • Lokale economie: voetgangers dragen bij aan de winkelomzet. Daarnaast zorgt een aantrekkelijke omgeving voor meer bezoekers die langer blijven. Het leidt tot een beter vestigingsklimaat, minder leegstand en een hogere vastgoedwaarde.
  • Toerisme en recreatie: wandelen levert inkomsten en werkgelegenheid op. Ook stimuleert wandelen stadsbezoek en recreatief winkelen.
  • Leefomgeving: een aantrekkelijke inrichting zorgt voor meer voetgangers, een sterkere sociale samenhang (meer sociale contacten) en meer sociale veiligheid (angst, vertrouwen).
  • Gezondheid en welzijn: lopen zorgt voor meer maatschappelijke deelname, langer zelfstandig functionerende ouderen, besparing op zorgkosten (fysieke en mentale klachten, strijd tegen obesitas) en het is goed voor de ontwikkeling van kinderen.
  • Milieu en landschap: geen extra schadelijke uitstoot (zoals CO2), gezonde mobiliteit draagt bij aan een betere luchtkwaliteit, geen geluidsoverlast, voorzieningen voor voetgangers tasten het landschap beperkt aan en vragen weinig ruimte.
  • Verkeer en vervoer: we zien betere bereikbaarheid, verkeersveiligheid en kostenefficiency (te voet versus de auto). Ook zorgen goede looproutes naar stations, haltes en parkeergelegenheden voor meer aantrekkelijk openbaar vervoer en een effectief parkeerbeleid.

Nog een stapje verder…

Een verkenning van de effecten van investeren in lopen (Decisio, 2018) gaat net een stapje verder. Dit rapport benoemt onder andere type investeringen (kosten infrastructuur en ruimtebeslag), diverse overzichtsstudies en geeft aan dat de verhouding kosten-baten voor dit type investeringen zeer positief is. Namelijk oplopend tot 37,6. Qua mobiliteit blijken projecten op het gebied van gedragsbeïnvloeding (nudging), met als doel een ‘modal shift’, lopen en fietsen (en soms bus) en lokale veiligheid het meest lucratief.

Naast de zorgkosten en gewonnen levensjaren benoemt het rapport van Decisio nog kwaliteit van leven, verzuim en arbeidsproductiviteit, schoolprestaties, gevoel van welbevinden, humeur en mentale gezondheid.

Net als in ‘Lopen loont’ gaat het onderzoek verder in op baten qua bereikbaarheid, veilig- en kwetsbaarheid, milieu en economie (vastgoedwaarden en bestedingen). Extra aandacht is er voor de sociale aspecten/sociaal kapitaal. Al is het ook hier een uitdaging om deze uit te drukken in euro’s. Op het voetgangerscongres in 2018 is deze verkenning gepresenteerd. Voor een samenvatting vind je hier de presentatie.

Baten van fietsen

Gezonde mobiliteit omvat ook fietsen. Het Fietsberaad vat de baten van fietsen kort samen: het is efficiënt, duurzaam, relatief ongevaarlijk voor andere verkeersdeelnemers en fietsen is gezond. Op het thema fietsen is relatief veel economisch onderzoek verricht. Zo kwam Decisio in 2012 met een quick scan ‘Maatschappelijke kosten en baten van de fiets’, die kijkt naar drie casussen.

  • De eerste casus gaat over de overstap van de auto of OV naar de fiets. En benoemt hierbij de effecten op het netwerk (congestiereductie en comfortbaten), gezondheidseffecten (hogere arbeidsproductiviteit, aantal gezonde levensjaren en levensverwachting), invloed op accijnzen, parkeren en subsidies en tot slot uitstoot van schadelijke stoffen, geluidsoverlast en verkeersveiligheid. Met als resultaat; ‘elke overstap van auto of OV naar de fiets levert een batenpost van 4 tot 50 cent per kilometer afhankelijk van de locatie’.
  • De tweede casus gaat over een fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Deze casus komt uit op een positief saldo, waarbij reistijdwinst de belangrijkste baat is.
  • Casus nummer drie geeft inzicht in de effecten van betaald parkeren van de fiets op het station. Het invoeren van deze maatregel geeft een negatief saldo. Dat komt vooral door hogere beheer- en onderhoudskosten. Afhankelijk van het gedrag van de fietser (hier is onvoldoende van bekend) leidt dit of tot minder fietsen en dus negatieve gezondheidseffecten, of tot vervangend vervoer en bijvoorbeeld negatieve milieueffecten.

In 2017 verschijnt een vervolgrapport Waarderingskengetallen MKBA Fiets. Voor opstellers van MKBA’s nuttige informatie, maar het geeft ook inzicht voor ambtenaren en bestuurders. Naast reiskosten benoemt het rapport vier typen kosten, te weten investeringskosten, beheer en onderhoud, exploitatie en vermeden investeringen. Vervolgens gaat het rapport in op de waardering van de effecten (baten) op 6 verschillende thema’s.

  • Bij bereikbaarheid zien we effecten als reistijd, betrouwbaarheid van het netwerk, reiskosten, comfort en beleving en effecten op overig verkeer.
  • Bij gezondheid komen fysieke en mentale fitheid, arbeidsproductiviteit en verzuim en levensverwachting aan bod.
  • Verkeersveiligheid gaat over objectieve veiligheid (lees ongevallen en slachtoffers) en subjectieve veiligheid (ervaringen, gevoel).
  • Bij de externe effecten worden de uitstoot van schadelijke stoffen, geluidsoverlast en natuur/ecologie genoemd.
  • Onder overige effecten vallen gelijkheid in de samenleving, sociale effecten (criminaliteit, sociale cohesie en sociaal kapitaal), imago als fietsland, grond- en woningwaarde, baten voor economie (bestedingen), ruimtelijke kwaliteit.
  • Tot slot zijn er effecten voor de recreatieve fietser. Deze gaan dan over reistijd, comfort en beleving, extra recreatiemogelijkheden, additionele bestedingen en extra fietskilometers.

Wat kunnen we hiervan leren?

De baten op de genoemde vier thema’s rondom de sport- en beweeginfrastructuur zijn erg divers en lastig om in een eerste verkenning ‘even’ op papier te zetten. Toch helpt inzicht in de baten van dit type investeringen bij het maken van keuzes, waarbij er extra aandacht nodig is voor de vraag ‘wie er op welke manier van profiteert?’.

Opvallend is dat we in de sport- en beweegsector het bepalen van het doel van investeringen veelal overslaan. Of dat er een veelvoud aan doelen aan die investeringen wordt gehangen. De focus ligt dan al heel snel op het ‘hoe en wat’. Terwijl je eerst moet nagaan ‘waarom’. Hoe draagt een project bij aan de doelen van het lokale beleid? Dat is stap 1. Dit maakt dat je ook inzichtelijk krijgt welke effecten je meetbaar moet maken (kwantificeren en liefst monetariseren).

Hier ligt alleen wel een behoorlijke uitdaging. Rekenen aan de waarde van sport en bewegen is enorm complex en vaak gebaseerd op aannames. Onderzoek zoals hierboven beschreven kan echter wel helpen om de discussie wat af te halen van de kosten. En de focus meer te leggen op de maatschappelijke baten (zowel financieel als niet financieel) die de investering oplevert. Vooral de sociale baten blijken nog lastig te kwantificeren, laat staan monetariseren. Deels moet je hierbij waakzaam zijn op dubbeltellingen. Echter het advies is om ze altijd te benoemen (vaak dus als PM post), zodat ze zichtbaar blijven en op die manier hun ‘waarde’ hebben. Uiteindelijk gaat dit dus helpen bij:

  • het onderbouwen en verantwoorden van keuzes
  • het gesprek met baathouders en samenwerkingspartners (wie profiteert)
  • het optimaliseren van beleid / maken van lerend beleid

Hierbij geldt dus eigenlijk: tellen en vértellen.

Als denkkader kan het gedachtegoed van een MKBA al heel nuttig zijn. Sommigen pleiten voor het vaker doen van MKBA’s. Meer onderzoek geeft namelijk een meer stevige basis voor de aannames. Gelukkig komen er steeds meer kengetallen beschikbaar. Maar de toepassing ervan blijft schaars, vooral door praktische en lokale ‘bezwaren’ en ook opschalen blijkt een uitdaging. Case studies en pilots op lokaal niveau kunnen hierbij een oplossing bieden. Ontwikkelde modellen, zoals het dashboard Bikenomics, maken het mogelijk om te monitoren. Zij kunnen een soort oplegger zijn om op diverse plaatsen dezelfde soort berekeningen te doen.

Over het algemeen zijn op de vier genoemde onderdelen de baten hoger dan kosten, het maatschappelijk rendement is dus hoog. Dit geeft ook mogelijkheden qua financiering, bijvoorbeeld door Pijbes benoemd als “de plus van huizen investeren in groen”. Het benutten van de waardestijging van het vastgoed en de besparing die gerealiseerd kan worden op kosten voor zorg en gezondheid. En dit dan niet door de overheid alleen, maar gedeeld met particulieren (omliggende bedrijven en bewoners). Zij betalen mee, zijn (op basis van goede afspraken) betrokken. Iets dat lijkt te werken bij Central Park in New York. Publiek en privaat samen, zodat er voldoende budget beschikbaar blijft voor die ruimte om te sporten, bewegen, spelen en ontmoeten en er optimaal wordt ingezet op een gezonde leefomgeving.

Trefwoorden:
Bewaren

Geselecteerd voor jou

Praat mee

Wat is jouw mening over of ervaring met dit onderwerp? Of heb je een specifieke vraag?

Laat hieronder een reactie achter en ga in gesprek.