Arbeidsparticipatie en sport: verbinden van wetenschap en praktijk | Alles over sport

Arbeidsparticipatie en sport: verbinden van wetenschap en praktijk

Artikel

geplaatst op: 26 juli 2016

Gemeenten ondersteunen werkloze burgers onder andere met re-integratietrajecten. Voor de effectiviteit van die trajecten is wetenschappelijk nog onvoldoende bewijs, ook als het gaat om de inzet van sport en bewegen daarbij. Succesverhalen uit de praktijk tonen echter aan dat die inzet van sport de arbeidsparticipatie wel verbeterd. Geeske van Asperen pleit daarom voor meer onderzoek en geeft met dit artikel alvast een voorzet door wat wetenschappelijk al wel bekend is te verbinden met de goede voorbeelden uit de praktijk.

Gemeenten hebben in de afgelopen jaren steeds meer verantwoordelijkheden gekregen rondom werk, inkomen en participatie van hun burgers. Re-integratietrajecten maken deel uit van de ondersteuning die gemeenten werkloze burgers biedt. Maar er is onvoldoende bekend over de effectiviteit van reïntegratieaanpakken: wat werkt, voor wie, wanneer. Om op deze vragen een antwoord te kunnen geven, heeft het ministerie van SZW een kennisprogramma opgezet dat kennis moet opleveren voor bestuur/management, beleidsmakers en mensen in de uitvoering. Als onderdeel van dit kennisprogramma heeft TNO met een quickscan onderzocht wat er in de wetenschap al bekend is over de effectiviteit van re-integratie en welke factoren deze effectiviteit kunnen beïnvloeden. De rol van sport en bewegen komt binnen deze quickscan kort aan bod. Op basis van de twee gevonden wetenschappelijke artikelen stelt TNO: er is “…..geen eenduidige conclusie te trekken ten aanzien van het versterken van fysieke fitheid en het vinden van werk.”

Vanuit wetenschappelijk perspectief is dit een logische conclusie. Het doel van deze quickscan is echter om inzicht te leveren in kennislacunes op het gebied van effectiviteit van reïntegratieaanpakken en op basis daarvan nieuwe kennis te ontwikkelen. Het feit dat er een kennislacune is op het gebied van sport en re-integratie moet dus juist een stimulans zijn om er onderzoek naar te gaan doen. Temeer omdat de praktijk veel succesverhalen laat zien. Zo kopte Trouw in september 2015 ‘Werklozen rennen zich uit de bijstand’, schreef de Stentor een maand eerder ‘Bankhanger sport zich naar een baan in Kampen’ en analyseerde Carlijn van Houselt in een artikel acht door NISB verzamelde praktijkvoorbeelden op het gebied van sport, bewegen en (arbeids)participatie. Hoofdconclusie “De sport biedt legio mogelijkheden om mensen te helpen naar meer maatschappelijke en arbeidsparticipatie”.

Kortom, de praktijk laat zien dat sport en bewegen potentie heeft om ingezet te worden binnen arbeidsre-integratie, maar wetenschappelijk bewijs ontbreekt. Desondanks levert het verbinden van al bestaande wetenschappelijke inzichten met de ervaring in de praktijk nu al interessante inzichten op. In dit artikel wordt daarom de verbinding gelegd tussen de wetenschappelijke literatuur rondom effectiviteit van arbeidsre-integratie en de goede voorbeelden uit de praktijk. Op die manier ontstaat een genuanceerder beeld over de rol die sport en bewegen kan spelen binnen arbeidsre-integratie dan op basis van de quickscan naar voren komt. Daarnaast biedt het verbinden van wetenschap en praktijk zicht op aanknopingspunten voor huidige sportaanpakken op het gebied van re-integratie om deze nog effectiever te maken.

Quickscan TNO: stand van zaken van de wetenschap

De quickscan van TNO gebruikt het model van Wanberg (2003) als kapstok voor de literatuurreview.

 

een cirkel verdeeld in 7 stukken als visualisatie van de quickscan van TNO volgens het model van Wanberg Dit model deelt re-integratieaanpakken in op basis van handelingsperspectieven voor beleidsmakers en uitvoerders. Het model van Wanberg gaat uit van zeven handelingsperspectieven. Van deze zeven perspectieven zijn er vijf op het individu gericht: Human Capital, Social Capital, Belemmeringen, Economische incentives en Zoekgedrag. Daarnaast onderscheidt Wanberg twee perspectieven die vooral met de werkgever of arbeidsmarkt te maken hebben: Discriminatie en Vraagversterking arbeidsmarkt. Een deel van de perspectieven is weer onderverdeeld in subcategorieën zoals te zien in figuur 1. Een toelichting van de handelingsperspectieven en subcategorieën staat beschreven in de bijlage.

Sport- en beweegaanpakken en de handelingsperspectieven voor arbeidsparticipatie

De twee wetenschappelijke publicaties zoals gevonden in de TNO Quickscan deden uitspraak over de invloed van sport en beweegaanpakken op het wegnemen van fysieke belemmeringen bij werkzoekenden om daardoor de kans op een baan te vergroten. Kijken we naar de acht door NISB verzamelde praktijkvoorbeelden (zie kader), dan blijkt het palet van handelingsperspectieven waar sport een rol in speelt breder. Vergelijken we deze praktijkvoorbeelden met het model van Wanberg, dan blijkt dat er drie verschillende handelingsperspectieven gehanteerd worden, namelijk human capital, social capital en belemmeringen. Binnen human capital is er vooral sprake van een werkervaringsplek die in de sport wordt aangeboden. Bij het wegnemen van belemmeringen gaat het om fysieke en psychische belemmeringen. (zie tabel 1 en 2).

Tabel 1: Overzicht van handelingsperspectief per aanpak

 

Tabel 2: Ingezoomd overzicht van handelingsperspectief per aanpak

Praktijkvoorbeelden

Deze voorbeelden staan ook beschreven in de brochure ‘Sport beweegt naar werk’.

Effectief handelen

Deze sportaanpakken ‘scoren’ dus op drie handelingsperspectieven. Maar de interessante vraag is natuurlijk of ze dat doen op een effectieve manier. Per handelingsperspectief wordt aangegeven wat de wetenschappelijke literatuur zegt over de effectiviteit van aanpakken en wat de praktijk op dit gebied laat zien.

Human capital

Over de effectiviteit van aanpakken op het gebied van human capital bestaat geen eenduidig beeld. TNO concludeert over scholing van werklozen: ‘Scholing heeft kleine en soms negatieve effecten op de korte termijn ‘. Een review van Divosa uit 2013 concludeert: ‘Scholing lijkt een klein positief effect op de baankans te hebben, maar de onzekerheidsmarge is hierbij groot. Scholing lijkt beter te werken voor vrouwen, ouderen en kansarme groepen’. Dit is opvallend, omdat er in onze samenleving veel belang wordt gehecht aan scholing. De volgende factoren verklaren het matige effect en de diversiteit in onderzoeksresultaten.

  • Locked in:
    Gedurende het scholingstraject zoeken deelnemers niet actief naar een baan. Na afronding van de opleiding is de kans op het vinden van een baan wel vergroot. In de praktijk blijkt dat op de korte(re) termijn de negatieve effecten van een periode niet actief zoeken groter zijn dan de toegenomen kans op succes na het afronden van de scholing.
  • Scholen van jeugd:
    Voor jeugd in de bijstand geldt vaak dat het scholingssysteem in Nederland niet goed aansluit. Het aanbieden van een scholing aan deze groep is niet effectief vanwege het hoge uitvalspercentage. De betrokkenen hebben vaak al negatieve associaties met school. Uitval tijdens een scholingstraject kan voor de betrokken jeugd een negatieve ervaring zijn. Door deze negatieve ervaring wordt deze groep niet dichter bij een baan gebracht, maar kan het juist de afstand naar werk vergroten. Baat het niet dan schaadt het niet gaat dus in dit geval niet op!
  • Softskills & werkskills:
    Scholingen, trainingen en werkervaringsplekken die een combinatie van softskills (motivatie, zelfvertrouwen) en werkvaardigheden aanleren, zijn effectiever dan interventies die zich alleen op werkvaardigheden richten. Alleen softskills trainen is niet effectief.
  • First place then train:
    Het first place then train-principe, waarbij iemand eerst een werkervaringsplek krijgt en vanuit daar naar behoefte wordt gecoacht/ getraind, is een belangrijke factor voor een effectieve aanpak. Vooral bij laag opgeleiden en mensen met ernstige psychische problemen is dit van toepassing. Aan de andere kant blijkt dat als deze werkervaringsplekken in het publieke domein plaatsvinden dit minder effectief is. Het hierboven beschreven ‘locked in‘ treedt dan op.

Social capital

Dat het actief benutten van je persoonlijke netwerk belangrijk is bij het vinden van een baan, is bekend. Het gaat er dan om dat anderen in het netwerk helpen zoeken naar een geschikte baan en daarnaast de werkloze ook stimuleren om een baan te zoeken. Bij langdurige werkloosheid wordt het netwerk van de werkloze kleiner en gaat dit meer bestaan uit andere werkzoekenden. Het is dan moeilijker om het netwerk van een werkloze in te zetten om een baan te vinden.

Belemmeringen

Rondom aanpakken gericht op het wegnemen van belemmeringen, is het beeld in de wetenschappelijke literatuur divers en complex. Dat komt voornamelijk doordat belemmeringen vaak in combinatie voorkomen (fysiek, psychisch, verstandelijk, praktisch) en niet altijd volledig beïnvloedbaar zijn. Het volgende is bekend over de effectiviteit van de aanpak van verschillende soorten belemmeringen:

  • Fysieke belemmeringen
    • Fysieke belemmeringen zoals chronische ziekten en handicaps zijn niet te beïnvloeden met re-integratieaanpakken. In deze gevallen richt een aanpak zich vooral op het versterken van sterke kanten van het individu in plaats van het wegnemen van belemmeringen.
    • Mensen zonder ritme, structuur en dagvulling moeten zichzelf activeren om in conditie te blijven, wat vaak uitblijft. Fysiek fit zijn maakt onderdeel uit van een goede gezondheid. Onderzoek laat zien dat er bij volwassenen samenhang is tussen een minder goede gezondheid en verminderde (arbeids)participatie. De samenhang tussen gezondheid en arbeidsparticipatie blijkt daarnaast ook uit diverse buitenlandse studies. Verminderde fysieke fitheid hangt dus samen met een verminderde gezondheid en daarmee met werkloosheid. Op de vraag of het trainen van fysieke fitheid dan ook de kansen op het vinden van een baan vergroot, is – zoals de quickscan van TNO concludeert – geen eenduidig antwoord te geven. Schuringa (2010) vindt geen effect van het trainen van fysieke fitheid op arbeidsparticipatie waar Bouwman wel een effect vindt.
  • Psychische belemmeringen:
    Vooral bij ernstige psychische aandoeningen blijkt het ‘first place then train’-principe effectief.Tijdens het werk krijgt de persoon goede en professionele begeleiding en afhankelijk van wat nodig is, worden gedurende het traject belemmering weggenomen of vaardigheden aangeleerd. Of dit bij mindere psychische belemmeringen ook geldt, is niet bekend.
  • Praktische en verstandelijke beperkingen:
    Over interventies gericht op het wegnemen van praktische en verstandelijke barrières zijn geen onderzoeken bekend.

Wetenschappelijke aanknopingspunten voor de (sport) praktijk

In voorgaand hoofdstuk is gekeken wat er wetenschappelijk bekend is over het effectief inzetten van re-integratietrajecten en hoe de voorbeelden in de praktijk zich hiertoe verhouden. Samengevat komen hier vier ‘theorielessen’ uit naar voren.

  • Werkskills & softskills: Scholing en werkervaringsplekken moeten op maat zijn (om uitval van deelnemers te voorkomen) en een combinatie van werkskills en softskills bevatten.
  • Pas op voor het locked in-effect. Zorg dat er een prikkel blijft voor de deelnemer om een baan te willen vinden als dat mogelijk is.
  • Belemmeringen ‘stapelen’ en komen in samenhang voor. Eén belemmering aanpakken heeft daarmee weinig zin. Het wegnemen van belemmeringen is lastig omdat er vaak sprake is van multiproblematiek. Aanknopingspunten zijn:
    • Organiseer een goede diagnostiek in combinatie met een aanpak waarbij alle (beïnvloedbare) belemmeringen worden aangepakt.
    • Place first then train. Dit is vooral effectief als de problematiek dusdanig complex is, dat het moeilijk is om vooraf in te schatten welke ondersteuning exact nodig is en bij laag opgeleiden.
  • Het belang van de inzet van sociale netwerken bij het vinden van een baan is groot. Aanpakken waarbij het sociale netwerk actief wordt ingezet wordt bij het zoeken naar een baan zijn kansrijk.

De acht goede voorbeelden uit de praktijk laten zien dat bovenstaande ‘lessen’ al veel worden toegepast in de praktijk. Hoewel verder onderzoek natuurlijk nodig is (zie inleiding) lijken de beschreven projecten dus in potentie effectief te zijn in hun aanpak. Daarnaast leveren de praktijkvoorbeelden nog twee nieuwe ‘lessen’ op die in de theorie nog weinig aandacht krijgen, maar in de praktijk succesfactoren blijken te zijn.

  • Groepsaanpak: aanpakken waarin werklozen met een groep gelijkgestemden een traject ingaan zorgen in het begin voor herkenning en veiligheid, maar op termijn ook voor een groepsgevoel en motivatie bij deelnemers. Starten vanuit een groepsaanpak, met daarbij voldoende ruimte voor een persoonlijke invulling, kan bijdragen aan de motivatie van deelnemers om het traject vol te houden.
  • Het rolmodel: een rolmodel inzetten, is een krachtige manier om (vooral jongere) werklozen te stimuleren. Feyenoord Jobscorer zegt bijvoorbeeld ‘wij zijn een strenge maar loyale leermeester. Ook uit de theorie blijkt dat ‘een stok beter werkt dan een wortel’ (De Koning, 2012). Kritiek krijgen en geven is onderdeel van (top)sport. Topsporters hebben bij jongeren vaak het aanzien om hen te confronteren met hun gedrag en kunnen daarom, zeker bij moeilijke groepen, als een soort breekijzer fungeren.

Breder perspectief

In wetenschappelijke literatuur zoals hier beschreven, is een effectieve interventie een interventie die leidt naar werk. Deze insteek is om twee redenen eigenlijk te smal.

  1. Breder maatschappelijk doel: participatie in plaats van re-integratie.
    Bij de vertaalslag van theorie naar praktijk, zoals deze in voorgaande alinea’s gemaakt is, is al beschreven dat veel praktijkaanpakken die zich richten op het wegnemen van belemmeringen het vinden van een baan niet als primair doel zien. Werklozen uit een isolement halen en weer sociaal activeren kan een net zo waardevol doel zijn, voor de werkloze zelf maar ook voor andere partijen. Dit komt ook naar voren uit het Beleidsondersteunend Rekenmodel (BOR) dat NISB in 2014 heeft ontwikkeld. Uit dit BOR blijkt bijvoorbeeld dat het doorbreken van een sociaal isolement leidt tot een daling in zorgkosten waar zorgverzekeraars weer van profiteren. Daarnaast leveren werkervaringsplekken bij verenigingen bijvoorbeeld extra ‘handjes’ op om het sportterrein te onderhouden. Tot slot geldt natuurlijk dat in de huidige participatiesamenleving ‘meedoen’ belangrijk is. Met andere woorden, ook een interventie die niet resulteert in een baan kan maatschappelijk heel waardevol zijn!
  2. Winst voor de sportsector.
    Dat sport en bewegen de re-integratiesector iets te bieden hebben, blijkt uit dit artikel. Maar ook andersom is het waardevol. Want: “What is in it for the sport?” Uit de praktijk blijkt dit in verschillende zaken te zitten: extra financiële ruimte, extra ‘vrijwilligers’ op en rond de accommodatie, meer leden, een betere en multifunctionele bezetting van de accommodatie of professionalisering van de sport door de samenwerking met (en scholing door) professionals vanuit andere domeinen. Kortom, ook de sportsector kan er van profiteren als sport en bewegen een plek krijgt binnen arbeidsre-integratie.

Gebruikte bronnen

Toelichting handelingsperspectieven Wanberg et al 2002

Auteurs:

Geeske van Asperen
Kenniscentrum Sport

Bewaren:

Bewaren

Gerelateerde artikelen

Anderen bekeken ook